Wilgo Baarn: speech presentatie boek (VI)

Boekpresentatie Wilgo Baarn, alakondreman
15 januari 2018-Naks

Ik zou eigenlijk heel lui doen, en gewoon mijn tekst die in het boek staat voorlezen. Maar toen realiseerde ik me: de mensen die vandaag hier zijn hebben die tekst of in de krant gelezen, of hoorden het op de singi neti, of ze nemen straks het boek mee naar huis.
En luiheid tentoon stellen op een gelegenheid waar we Wilgo gedenken: dat doe je niet. Daarom een ander verhaal.
Op een dag, heel lang geleden, reed ik met Wilgo naar het huis van Henk Tjon voor een bespreking- Rufus Collins was op bezoek in Suriname en we hadden woeste plannen. Voor de mensen die hem niet hebben gekend: Rufus was samen met Henk Tjon de oprichter van De Nieuw Amsterdam, het eerste multiculturele theatergezelschap in Nederland. Theater voor niet-witte mensen dus.

Maar belangrijker is: Rufus was een grote zwarte Amerikaan. Eén die lang in Engeland had gewoond, en die dat deftig Engels accent vooral tevoorschijn toverde als iets hem niet beviel. Ook een man die ijdel was- heel erg ijdel.
Hoe ijdel, vraagt u me?
We stapten de auto uit, maakten de poort open en zagen Rufus in zijn witte jockey op een baddoek liggen in die enorme tuin op Clevia. Rufus, wat doe je nu! riep ik.
I want to be black, Sharda, antwoordde Rufus, I want to be a pure black beauty.
Ik kende Rufus nog niet echt goed, ik was jong, en niet echt zwart, dus ik stond met mijn mond vol tanden. Geconfronteerd met een zwarte-mensen-identiteit- en- kleur-ding waar ik echt geen antwoord op had. Van alles ging door mijn hoofd: moet ik beamen dat streven naar pure zwartheid een fantastische bevestiging was van een trotse identiteit? Moest ik bewijzen hoe goed ik die drang naar afzetten tegen witte-mensen-schoonheidsidealen kon begrijpen? Ik bedoel: ik studeerde Sociologie, dus ik had best wat lange woorden die ik kon gebruiken om indruk te maken en duidelijk te maken dat ik echt wel op mijn plek was tussen deze mannen die zoveel meer wisten dan ik en zoveel meer met elkaar gemeen hadden dan ik ooit zou hebben.
Ik hoefde dat allemaal niet te doen, want naast me lag Wilgo in een deuk. Maar je bent al zwart, hikte hij, en je gaat zo overgeven van de zonnesteek die je gaat krijgen.

Zo relaxt kon Wilgo omgaan met datgene waar hij en Friede hun leven aan besteedden: de identiteit en cultuur van Afro-Surinamers bewaren, en ontwikkelen. Voor hun geen preken, en hokjesdenken, maar juist een open, en eerlijke blik, ook naar hunzelf. En altijd, altijd, die humor.

Terwijl ik dit schreef dacht ik eraan hoe frappant het is dat zijn dochter Jennifer, toen we elkaar leerden kennen niet al te lang geleden, mij ‘Mevrouw’ noemde. Waarom doe je dat, vroeg ik, we verschillen niet zo heel erg veel in leeftijd.
Maar ze vond het toch even wennen, want ze kent mij van haar vader en moeder. En ik realiseerde me net een uur geleden: niet alleen werd ik door de Baarns opgenomen in de grote Afro-Surinaamse familie ondanks mijn overduidelijk niet Afro-Surinaamse afkomst, maar ik werd altijd als gelijke behandeld, en nooit als een piepkuiken dat getolereerd moest worden.

De afgelopen jaren heb ik, vanuit mijn werk bij Stichting Projekta, heel veel gewerkt met de jongerenafdeling Naks Wan Rutu, en oh, wat ben ik trots op wat ze doen, en hoe zij zijn gegroeid. En ik hoop dat Friede en Wilgo dat ook hebben gezien, en denken: Sharda heeft haar ereschuld aan Naks betaald.