JONAH ROMAN OVER WINTI EN RELIGIEUS FUNDAMENTALISME IN SURINAME

www.starnieuws.com; dec. 2018
http://www.starnieuws.com/index.php/welcome/index/nieuwsitem/50334

Inleiding
De Stichting Don Walther Fonds (SDWF) heeft in samenwerking met de Schrijversgroep ’77 in 2017 haar eerste Donner schrijfwedstrijd georganiseerd. De uitslag hiervan vond op vrijdag 22 juni 2018 plaats in Tori Oso. De eerste prijs werd uitgereikt aan auteur Willem Goedschalk voor zijn inzending getiteld Jonah. Dit boek is tevens het debuutroman van genoemde auteur. Naar ik begrepen heb, heeft Goedschalk bij het schrijven van het boek veel steun gehad van zijn wederhelft Carlien, die een afgestudeerd filosoof is en ook de winti religie heeft bestudeerd. Het in deze roman behandelde thema is: religieus fundamentalisme. Veel godsdiensten stellen zich op het standpunt dat hun weg de enige is om tot God (de Waarheid) te komen. In de historie heeft deze exclusieve gedachtegang tot talloze oorlogen met desastreuze gevolgen geleid. Hierover zou een aparte verhandeling kunnen worden geschreven.

door: Carlo Jadnanansing

Het boek: deel 1
Jonah is de naam van de hoofdpersoon van het boek. Het werk begint met zijn ontslag uit het Psychiatrisch Centrum in Paramaribo. Hij was daar voor de zoveelste keer opgenomen vanwege één van de vele zenuwaanvallen die hem reeds op jonge leeftijd teisterden. Kort voor het verlaten van het centrum realiseerde hij zich dat hij meerderjarig geworden was en dat zijn ouders dus geen zeggenschap meer over hem hadden. Daar de relatie met hen in het bijzonder met zijn vader niet optimaal was, en hem zelf een ongelukkig gevoel bezorgde, besloot hij hen niet, zoals gebruikelijk, te bellen om hem op te halen. In plaats daarvan besloot hij zijn eigen weg te gaan. In een bijgebouw van zijn ouderlijk woonhuis had hij een geheime ruimte geconstrueerd waarin hij zijn persoonlijke spullen bewaarde. Daarin was zijn ‘kluis’ zijn belangrijkste bezit. In de kluis zaten zijn spaargelden. Hij loerde een moment af waarop zijn ouders niet thuis waren en haalde zijn persoonlijke bezittingen uit de bergruimte.

Hierna beschrijft de auteur in een flashback het leven van Jonah. Zijn ouders waren streng gelovige Christenen. Jonah moest twee keer per week met hen naar de kerk en twee keer per week kwam de Bijbelgenootschap van de gemeente bij hem thuis samen. Dit gebeurde jarenlang. Alles had een normaal verloop totdat zich een bijzondere gebeurtenis voordeed. Althans voor de ouders van Jonah. Hij zelf was zich er niet van bewust dat het voorval zijn leven ingrijpend zou veranderen. Zijn favoriete plek op het erf was een manjaboom waarin hij zich terugtrok om alles wat om hem heen gebeurde beter te kunnen observeren.

Op een gegeven moment zag hij dat de buren een tent hadden gebouwd op het erf. Vol belangstelling keek hij hoe de genodigden zich daar verzamelden. Er waren ook muzikanten met hun instrumenten waarbij vooral de koprotu grote indruk op hem maakte. Er werden ook liederen gezongen waarvan vele overeenkomsten vertoonden met de christelijke liederen uit de kerk van zijn ouders. Maar er waren ook vreemde ritualen die Jonah niet kende maar die hij met grote belangstelling volgde. Na afloop van het gebeuren, dat achteraf een wintiprei bleek te zijn, ging Jonah weer zijn huis binnen.

Terwijl hij bezig was zijn lessen na te kijken neuriede hij een liedje dat hem was bijgebleven. Voor hem onbegrijpelijk, kreeg hij plotseling een klap van zijn vader. Hij was totaal onthutst en verloor bijna het bewustzijn. Hij hoorde zijn vader nog net voor hem bidden. Achteraf bleek het Jonah dat hij het liedje Mamaisa had geneuried. Een heidens lied volgens zijn diep religieuze vader.

Tijdens de daaropvolgende kerkdienst moest Jonah op een speciale stoel plaatsnemen bestemd, voor personen die een ernstige zonde hadden begaan. Hij snapte er niets van en toen hij publiekelijk beschuldigd werd van het bijgewoond hebben van een heidense wintiprei, protesteerde hij daartegen. Hij werd naar huis begeleid door een speciale afdeling van de kerk die zich bezighield met exorcisme (uitdrijven of bezweren van de duivel). Thuis aangekomen moest hij zich ontkleden op zijn jockey na. Hij werd gesommeerd om op de grond te gaan liggen. Nog steeds niet bewust van wat er ging gebeuren voelde hij plotseling de slag van een riem op zijn blote rug. Hij sprong op, wilde vluchten maar werd achtervolgd door de duivelbezweerders die op hem bleven inslaan.

Desondanks slaagde hij erin te vluchten naar de buren bij wie de wintiprei was gehouden. Deze ontfermden zich over hem en belden de politie. Hij werd naar het ziekenhuis gebracht en daar behandeld waarna hij weer naar huis mocht. Zijn ouders en de exorcisten werden ongemoeid gelaten. Na dit gebeuren kreeg Jonah zijn eerste zenuwaanval. Hij was zichzelf niet meer en leek inderdaad bezeten te zijn. Hij bracht vernielingen aan en werd onhandelbaar. Zijn ouders belden naar de EHBO en per ambulance werd hij naar het psychiatrisch centrum in een dwangbuis afgevoerd. Daar kreeg hij zware medicamenten toegediend die hem bedwelmden en lusteloos maakten. Na korte tijd mocht hij steeds weer naar huis. De aanvallen kwamen regelmatig terug. De psychiater had de diagnose van een beginnende schizofrenie gesteld. Maar Jonah wist zeker dat hij niet gek was.

Johan komt in contact met een zekere Piket, die hem onderdak aanbiedt. Kort na zijn intrek bij Piket kreeg hij weer een aanval. Toen hij weer bij zijn positieven kwam, verontschuldigde hij zich tegenover zijn gastheer. Deze maakte hem duidelijk dat het geen zenuwaanval was, maar een zuiver geval van winti. “Wan bun bigi Apuku winti”, noemde Piket het. Laatstgenoemde vertelde hem dat de Apuku om bier gevraagd had en wel donkerbier uit een kalebas. Toen Jonah, of wellicht beter gezegd de winti, het bier naar binnen had gewerkt, viel hij in een lange verkwikkende slaap. Piket vroeg zich af waarom de Apuku verschenen was en/of Jonah hem aangespoord had te verschijnen. Een belangrijkere vraag was volgens Piket wat hij van plan was met de winti te doen. Er verschijnen stemmen in het hoofd van Jonah. In zijn gedachten roept hij zijn betbetovergrootmoeder Affie aan en de stemmen zwijgen.

Wie was Affie Akebo?
In gedachten gaat Jonah terug naar de dag dat hij de metalen archiefkast van zijn vader openmaakte. Hij trof daar een kistje aan van cederhout. Toen hij het deksel ervan haalde was het vol met kralenkettingen van geregen zaden, een koperen armband en een ijzeren ring. Toen hij de kralen door zijn vingers liet glijden, brak het vergane touw waarmee zij geregen waren en de kralen vielen in het kistje. De metalen ring die hij aantrof was dof, maar niet geroest. Jonah schoof de ring over zijn hand tot aan zijn bovenarm en toen kreeg hij hem er niet meer af. De ring klemde vast om zijn arm. Hoe hij ook rukte, er was geen beweging in te krijgen. Op de bodem van het kistje lag er een vergeeld papier. Jonah vouwde het open. Van Affie Akebo stond bovenaan geschreven en daaronder las hij stamboom en daar weer onder een hele reeks namen en data. Achter de eerste naam Affie stond: 8 oktober 1736. Er stond een instructie van Affie Akebo dat de kist afkomstig was van opa Jonah en aan elke oudste zoon moest worden overgegeven die ook weer de naam van Jonah zou dragen.

Nadat hij het kistje weer op zijn plaats gezet had voelde hij een getintel aan zijn bovenarm en de ijzeren ring gleed weer vanzelf van zijn arm naar beneden. De ring borg hij tezamen met enkele kralen in zijn geldtrommel op. De gedachte aan zijn afstamming bleef Jonah achtervolgen, vandaar dat hij besloot op speurtocht te gaan in de landsarchieven. De enige informatie die hij had was dat zijn voorouders van de plantage Roos en Zorg waren. Dit was voldoende om het nodige uit de archieven te weten te komen, namelijk dat zijn oudste voorouder Nene Affie Akebo was die op 15 augustus 1803 was overleden. Jonah had ervaren dat het noemen van de naam van Affie Akebo of zelfs het denken daaraan hem kon kalmeren. Hij wilde echter het fijne van weten.
De deskundigen die hij raadpleegde vertelden hem dat hij niet ziek was, maar dat hij slechts bepaalde dingen van zijn voorouders zou hebben geërfd die op hem zijn overgedragen.

Piket is ervan op de hoogte dat Jonah nog een oudtante heeft, die Millicent heet en aan de Limesgracht woont in een buurt die bekend staat als Frimangron. Hij brengt Jonah erheen en Piket vertelt tante Millicent het verhaal van Jonah. Tante Millicent zegt dat ze op de hoogte was van de geschiedenis van het kistje, maar niet wist dat dit nog bestond. Zij benadrukt na bestudering van bepaalde vlekken op de bovenarm van Jonah dat de boei hem was voorbestemd. Zij geeft hem wel het advies dat hij de boei pas moet gebruiken wanneer de tijd daarvoor rijp is.

Deel 2
In hoofdstuk 14 van het boek wordt het slavernijverleden, de drang naar vrijheid van de tot slaaf gemaakten en het wintigebeuren nader onder de loep genomen. De auteur merkt via zijn personages op dat het moeilijk te bevatten is dat elke familie van Afrikaanse origine een vreselijk verhaal zou kunnen vertellen. De geschiedenissen zijn stuk voor stuk gruwelijk.
Na de afschaffing van de slavernij werden de vrijgelatenen gedwongen een zwarte met een wit gezicht te worden door het Christelijke geloof verplicht te moeten aannemen. Dit gebeurde niet in het belang van de ex-slaven, maar in het belang van hun voormalige eigenaren. Het Christendom preekt namelijk vergeving en de vergeving was hard nodig om de kans op gewelddadigheden na de emancipatie te verkleinen en zelfs te voorkomen.
Het personage Glenn merkt in dit verband op dat vergeving echter niet betekent vergeting. Volgens Glenn hebben de vrijgelatenen en hun nazaten het meest wezenlijke van zichzelf verloren, namelijk hun ware identiteit.

In de verdere hoofdstukken wordt de lezer teruggebracht naar gebeurtenissen in de achttiende eeuw op plantage Roos en Zorg. Dit deel lijkt op een historisch verhaal van onze grijze eminentie Cynthia Mac Leod. De liefdesgeschiedenis tussen één van de oudste voorouders van Jonah tevens drager van dezelfde naam en de dochter van de plantage-eigenaar Elisabeth treft de lezer recht in het hart. De gevolgen hiervan in de vorm van het kind van gemengde bloede dat in Nederland door een andere vader dan de biologische zou worden opgevoed, blijkt consequenties te hebben die tot in het heden doorlopen. De verrassende familierelatie tussen de donkere Jonah en de blanke dominee Ricky uit Amsterdam is onder andere één van de gevolgen. Laatstgenoemde was via een notaris in Vlissingen in het bezit gekomen van een zinken kistje met daarop een vergeelde enveloppe. Deze waren afkomstig van de stammoeder van Ricky, een zekere Elisabeth.

Eerdere erfgenamen hadden steeds geweigerd de nalatenschap te accepteren. Ook Ricky wilde aanvankelijk de spullen niet aanvaarden, maar vroeg de notaris enige bedenktijd. In zijn hotel kreeg hij een vreemde droom die ook door bleef gaan toen hij wakker werd. Alsof hij daartoe werd gedirigeerd, zette hij zijn droom op papier. Er verschenen vreemde letters die hij zelf niet begreep. Hij wilde het papier vernietigen, maar iets hield hem tegen. Uiteindelijk vertelde tante Millicent hem dat de tekst in het Kromantischrift was gesteld!
Het dagboek van Elisabeth meegenomen door Ricky blijkt de sleutel van het imponerende familieverhaal te zijn.

Jonah is pakkend geschreven in heldere taal en stijl, gemakkelijk te volgen voor de gemiddelde lezer. Aangezien het om een authentiek Surinaamse vertelling gaat, is het zeker als een aanwinst voor onze literatuur te beschouwen. Het kan reeds gebruikt worden voor lessen aan leerlingen vanaf de hogere klassen van het Mulo-onderwijs. Zelf kon ik het boek nauwelijks meer wegzetten toen ik er eenmaal mee begonnen was. Jonah grab’ mi na mi goro goro! Ik denk dat vele lezers ook die ervaring zullen ondergaan, of men in winti gelooft of niet. Het boek kan ook beschouwd worden als een hommage aan de grote Surinaamse schrijvers die zich hebben ingezet om de winti godsdienst de juiste plaats te geven in onze gemeenschap. In dit verband moet in het bijzonder genoemd worden Edgar Cairo met zijn vele geschriften o.a. Elzaro en Yorkafowru (1986). Maar ook wellicht verrassend voor velen, moet de naam van Jnan Adhin gememoreerd worden. Hij is in 1971 in zijn functie van minister van Justitie de initiatiefnemer geweest voor het schrappen van het delict afgoderij uit ons Wetboek van Strafrecht. Vanaf toen viel de wintiprei niet meer onder het bereik van ons strafrecht.

Titel: Jonah
Auteur: Willem Goedschalk
Verschijningsdatum: december 2018
Aantal pagina’s : 168
ISBN: 978-99914-57-192