HET STAATSTOEZICHT IN SURINAME: 1863-1873

by CHAN CHOENNI

Over het zogeheten Staatstoezicht dat na de afschaffing van slavernij werd ingevoerd, is over het algemeen weinig bekend in de brede Surinaamse gemeenschap. Daarom besteden wij in dit artikel aandacht aan deze minder bekende periode uit de Surinaamse geschiedenis. De periode van het Staatstoezicht duurde tien jaar: van 1 juli 1863 tot 1 juli 1873. De meeste vrijverklaarden werden verplicht om een werkcontract -soms ook ‘koeliecontract’ genoemd te sluiten met een werkgever, die de huurder werd genoemd.

Zij werden dus onder ‘staatstoezigt gesteld’. Het Staatstoezicht was vooral ingevoerd om te voorkomen dat de vrijverklaarden massaal de plantages zouden verlaten, waardoor de Surinaamse plantage-economie zou instorten. Pas na tien jaar, namelijk na 1 juli 1873 waren de vrijverklaarden eindelijk volledig vrij.

Javaanse contractarbeiders

Eigenlijk waren de meeste vrijverklaarden gedurende deze periode een soort contractarbeiders, net als de Hindostaanse en Javaanse contractarbeiders die naar Suriname zijn overgebracht. Deze Afro-Surinaamse contractarbeiders verdienden echter gemiddeld een hoger loon, namelijk 80 cent of hoger per dag, terwijl de Hindostanen en Javanen volgens hun contract doorgaans 60 cent per dag verdienden. De Hindostaanse en Javaanse vrouwen verdienden een lager loon, namelijk 40 cent per dag. Wij moeten hierbij wel bedenken dat grote kosten waren gemaakt voor de rekrutering en het transport van Hindostanen en Javanen naar Suriname. Een deel van deze kosten (40%) was betaald door de plantage-eigenaars, de zogeheten huurders. Zij verdienden dat terug door het uitbetalen van een gemiddeld lager loon aan hen. Dat is een van de redenen van het verschil in beloning tussen de Afro-Surinamers en de andere groepen.

Maar ook het loon van 80 cent per dag was een vrij laag loon en men moest zuinig leven, eigenlijk overleven. De hoogte van deze lonen waren door de Surinaamse staat vastgesteld. Dat het loon vrij laag was -minder dan één gulden per dag- blijkt uit het feit dat voorheen de slaafgemaakten vaak voor één gulden per dag verhuurd werden door hun eigenaar aan anderen. De vrijverklaarden (mannen) verdienden tijdens het Staatstoezicht en daarna minimaal 80 cent per dag, maar meestal een hoger bedrag. Na het Staatstoezicht vroegen de mannelijke Creoolse arbeiders tussen90 cent en f 1,20 per dag als dagloon. In 1879 werd gesteld dat ‘het loonpeil door de vrije neger zodanig’ was dat bijvoorbeeld “hij zijne eischen betreffende het loon onder sommige omstandigheden, bij den oogst, zo hoog opdrijft, dat er niet meer met eenig voordeel kan worden gewerkt.” (Handelingen der Staten-Generaal 1879-1880: 31). De Afro-Surinaamse arbeiders hadden blijkbaar een ander (uitgebreider?) behoeften- en consumptiepatroon. De huurders kozen daarom voor Hindostaanse en later Javaanse contractarbeiders aan wie zij een veel lager loon uitbetaalden. Het was uitbuiting, maar tocht lukte het deze groepen die waren vertrokken uit zeer armoedige omstandigheden in hun herkomstlanden om te overleven in Suriname en soms zelfs geld te sparen door soberheid en zuinigheid.

 

OVERGANGSFASE

Sommige activisten menen dat 1 juli 1873 de werkelijke datum van de viering en herdenking van de vrijheid van de slaafgemaakten zou moeten zijn. Dit is -mijn inziens- echter een onjuiste stellingname. Want op 1 juli 1863 was iedereen al vrij en dus geen eigendom meer van de plantage-eigenaar of van de overheid of iemand anders. Bovendien konden de vrijverklaarden zelf kiezen met welke werkgever zij een werkcontract sloten. Daarnaast verdienden zij een eigen loon om voor zichzelf te zorgen. Een deel van vooral de ambachtslieden, zoals wasvrouwen, timmermannen en botenbouwers vertrok naar Paramaribo om daar werk te vinden.

Op 1 juli 1863 waren ruim 36.000 slaafgemaakten dus vrij verklaard. Ruim 18.000 van hen werden onder Staatstoezicht gesteld. De kinderen, ouderen (60 jaar en ouder) zieken alsook ambachtslieden werden echter niet onder Staatstoezicht gesteld. Zij hoefden geen werkcontracten te sluiten met een werkgever. Door de tijd heen daalde het aantal vrijverklaarden dat een werkcontract afsloot. Aan het einde van het Staastoezicht op 1 juli 1873 waren er nog ongeveer 10.000 vrijverklaarden die een werkcontract hadden met een werkgever. Dat is dus minder dan een derde van de vrijverklaarden. Met andere woorden: indien men 1 juli 1873 als datum van vrijheid wil aanhouden, dan heeft men het slechts over een minderheid van de alle vrijverklaarden die eindelijk totaal vrij waren inde zin dat zij geen werkcontract meer hoefden te sluiten..

Het Staatstoezicht was al met al dus een overgangsfase voor deze minderheid naar de totale vrijheid dat per 1 juli 1873 jaar inging. De bedoeling van het Staatstoezicht was om enerzijds te blijven beschikken over de arbeid van de vrijverklaarden. Anderzijds was het de bedoeling om de vrijverklaarden te laten wennen aan regulier werk zonder dwang (loonarbeid), het inrichten van een eigen bestaan en een huishouden met het loon dat zij verdienden. De slaafgemaakten waren weliswaar blij met hun verworven vrijheid in 1863, maar zij hadden gemengde gevoelens over het Staatstoezicht. Het sluiten van een werkcontract baarde hen zorgen, omdat zij weer ‘gebonden’ werden aan een werkgever. Maar de twijfels over de werkcontracten hebben echter niet tot onlusten geleid, want het bleef rustig op de plantages. De term die werd gebruikt was dat men zich tegen een loon kon laten ‘inhuren’ (de werkgever was zoals gezegd de ‘huurder’) als werknemer op de plantages. Ter illustratie een citaat:

“Reeds voor den ingang der vrijverklaring van de slaven verscheen de zeer uitvoerige publicatie van 16 April 1863 (G.B. No. 9), waarin de rechten en verplichtingen van den werkgever, ‘huurder’ genoemd, en den werknemer, den ‘onder staatstoezigt geplaatste’, werden neergelegd met vaststelling van een modelovereenkomst.”

Er werd gegarandeerd dat de vrijverklaarden gedurende tien jaar konden blijven werken op de plantages. Zij konden elk jaar opnieuw kiezen met welke plantage-eigenaar zij een arbeidscontract aangingen. De vrijverklaarden werden min of meer verplicht werkovereenkomsten te sluiten, maar waren dus vrij in de keuze van hun werkgever (‘hun meesters’). Binnen drie maanden na de afschaffing van de slavernij moesten de werkcontracten worden gesloten. De werkcontracten werden ten overstaan van hen gesloten en later eventueel vernieuwd of werd een nieuw contract aangegaan. De districtscommissaris tekendeals bewijs ook de werkcontracten. Er werd dus een zekere werkdwang in het leven geroepen, maar men kon zelfstandig contracten sluiten voor betaalde arbeid. Wanneer men zich eenmaal had verbonden, mocht betrokkene zich niet meer onttrekken aan het werk. Hij/zij mocht ook niet vrij de plantage, waar hij/zij werkzaam was, verlaten zonder een zogeheten vrijpas van de plantagedirecteur. De meerderheid van de vrijverklaarden sloot een werkcontract, maar anderen weigerden -vooral in het district Nickerie- om deze werkovereenkomst te sluiten. En een ander deel van de vrijverklaarden vertrok naar Paramaribo op zoek naar werk en vertier.

300 WERKDAGEN

plantagejagtlust.nl

Alleen vrijverklaarden tussen de 15 en 60 jaar werden verplicht een werkcontract af te sluiten (artikel 24, wet afschaffing der slavernij in Westindië)). Voor de ouderen werden karige voorzieningen getroffen en kinderen moesten onderwijs volgen. Suriname voerde namelijk al in 1876 de leerplicht in, terwijl de leerplicht in Nederland pas in 1901 werd ingevoerd. De vrijverklaarden en de huurders kregen drie maanden de tijd om de eerste werkcontracten te sluiten.

In de periode totdat de contracten waren gesloten, mochten de huurders vierdagen arbeid eisen van hun vrijverklaarden. (Besluit 16 juni 1863, Gouverneur A.F. Van Landsberge). Deze maatregel moest voorkomen dat vrijverklaarden zouden gaan rondzwerven en de huurders zonder arbeidskrachten zouden komen te zitten. Gedurende die periode waren de eigenaren verplicht de vrijverklaarden in hun woningen te laten wonen. Bovendien hadden de vrijverklaarden recht op tweederde van het toekomstige loon. Na het sluiten van de contracten moesten de vrijverklaarden weer zes dagen aan het werk, net zoals vóór de afschaffing van de slavernij. De huurders moesten in de periode tussen de vrijlating en het sluiten van het contract voor medische voorzieningen zorgen.

Op de plantages werd de vrijverklaarden een vrije woning toegewezen (dat waren vaak de ‘’oude slavenbarakken’’), een stuk grond voor het telen van voedselgewassen en er werd geneeskundige behandeling in geval van ziekte toegezegd. De werkdag werd berekend op 8 uren op het land, 10 uren in de fabriek en het werkjaar werd op 300 werkdagen gesteld. De fabrieksarbeid zou als regel om 6 uur in de ochtend aanvangen, het werk op het land om 7 uur in de ochtend. Het loon werd doorgaans wekelijks uitbetaald. Op de meeste Surinaamse plantages werd er dus na de afschaffing van de slavernij door vrijverklaarden gewoon doorgewerkt, maar nu tegen een arbeidsloon.

TREK NAAR PARAMARIBO

Tegen 1 oktober 1863 waren ruim 18.500 werkcontracten gesloten. Veel vrijverklaarden sloten werkcontracten op de plantages waartoe zij hadden behoord, maar een aantal gaf er de voorkeur aan op andere plantages te gaan werken.

Wasvrouwen op de plantage Wolffenbuttel bij Paramaribo. ca 1925.

In 1864 tekenden circa 15.000 vrijverklaarden opnieuw een werkcontract (elk jaar moest het werkcontract opnieuw worden getekend) en zij bleven op de plantages werken. Een toenemend aantal vertrok gedurende het Staatstoezicht en vooral na het einde van het Staatstoezicht naar Paramaribo. De stad Paramaribo was voor velen, in het bijzonder voor vrouwen aantrekkelijk. Afro-Surinaamse vrouwen vormden al een meerderheid van de Afro-Surinaamse stadsbewoners. Vrijverklaarden die een ambacht uitoefenden, zoals wasvrouwen of timmerlieden hadden namelijk geen verplichting tot een werkcontract en zij vestigden zich het liefst in de stad. Als winkelierster, huisbediende of marktvrouw, kon men in de stad meer geld verdienen. Bovendien hadden de huurders een voorkeur voor mannen die ze ook meer betaalden dan de vrouwen.

In 1864 waren er in het totaal 31.273 onder staatstoezigt gestelden en ongeveer de helft was als plantagearbeider geregistreerd. Behalve ouderen, zieken en kinderen die zonder werkcontract op de plantages leefden, waren er ook werkende ambachtslieden en het huispersoneel. Deze twee groepen behoorden niet tot de plantagearbeiders. Het totaal aantal plantagearbeiders met werkcontracten daalde van 14.975 in 1864 naar 12.239 in 1872.

 

REDENEN

Wij hebben eerder geconstateerd dat slechts een minderheid van Afro-Surinamers tijdens de afschaffing van de slavernij in Paramaribo woonde. Op 1 juli 1863 woonde 15% van de vrijverklaarden in Paramaribo en door de trek naar de stad was in 1864 hun aandeel al 18% en in 1872 circa 24%. Na het einde van het Staatstoezicht nam de trek van Afro-Surinamers naar Paramaribo alleen maar toe, terwijl de Hindostaanse contractarbeiders en later de Javaanse contractarbeiders het werk op de plantages overnamen. 

De vrijverklaarden hadden uiteenlopende redenen om een plantage te verlaten. In de eerste plaats hadden zij geografische beweegredenen. De plantages dichtbij Paramaribo hadden aantrekkingskracht op de vrijverklaarden, terwijl het leven op plantages in verafgelegen districten voor vooral jonge vrijverklaarden niet aantrekkelijk was. Van de verafgelegen plantages, zoals gelegen in het district Beneden- en Boven-Cottica/Perica en een deel van het district Commewijne (het gebied Komwina) trokken zij naar plantages dicht bij de stad. Deze plantages kregen hun arbeiders voor betrekkelijk lage lonen, terwijl de verafgelegen plantages zelfs tegen hoge lonen geen personeel konden aantrekken. Bovendien waren in dit gebied vooral suikerplantages, waar het ‘slavenwerk’ het zwaarst was. Maar andere vrijverklaarden verlieten ook vanwege psychologische motieven hun oude plantage en trokken richting Paramaribo; zij hadden een zogeheten landbouw trauma opgelopen. Velen beseften dat de volledige vrijheid nog niet was bereikt, maar nu konden zij zelf hun werkgever kiezen en een beter bestaan verwerven in Paramaribo of dichtbij Paramaribo. Door naar een andere plantage te verhuizen gaven vrijverklaarden ook uitdrukking aan hun verworven vrijheid.

VAGABONDAGE

Naast het vertrek van veel plantagearbeiders waren sterfte, vrijstelling van het Staatstoezicht en vagabondage de oorzaak van de daling van het aantal arbeiders. Een groep heeft namelijk geen werkcontracten gesloten, maar gebruik gemaakt van de verworven vrijheid en geprobeerd om in hun eigen  levensonderhoud te voorzien. Deze groep werd echter gecriminaliseerd en de term vagabondage werd gebruikt. Je onttrekken aan de controle van het Staatstoezicht werd aangeduid als vagebonderen of landloperij (in het Engels squatting, vagrancy). Een tijdgenoot, de heer Taalman Kip gaf in 1877 een stereotyperende beschrijving van deze groep:

”Een groot kwaad dat het onmiddellijke gevolg van de emancipatie… bestaat in verspreiding der bevolking, het zoogenaamde squatting of vagabonderen der creolen langs de uitgestrekte visch en jagtrijke oevers der rivieren, waar zij in een ellendige hut in het bosch verscholen en wonen, op één of twee akkers voor huiselijke behoeften veldvruchten verbouwen en voorts in luiheid en ledigheid voortleven zonder aan den dag van morgen of aan de toekomst hunner kinderen te denken.”

Zoals eerder gezegd zijn in vele documenten uit die tijd stereotype en ook racistische beschrijvingen. Een groot probleem leek vagabondage echter niet te vormen: in de jaren van 1864 tot en met 1872 werden tussen de 105 en 152 personen vagabondisme ten laste gelegd.

STRAFFEN

Het uitvoeren van de werkzaamheden veroorzaakte veel moeilijkheden. Het weigeren van werk was de meest voorkomende overtreding. Werkverzuim was overigens een passieve vorm van verzet die ook al tijdens de slavernij werd gepleegd. Het hoogste aantal aanklachten werd gedaan in 1867, toen 2.813 personen ervan werden beschuldigd hun verplichte werktaken te hebben verzaakt. Dat was meer dan de helft van het totale aantal aanklachten. Van de in het totaal 17.000 onder staatstoezicht gestelden die in 1867 een werkcontract hadden gesloten, zou dus 16,5 procent zijn of haar werk niet goed hebben gedaan. 

Maar ook kinderen beneden 15 jaar -die volgens de wet niet hoefden te werken- zouden moeilijkheden hebben veroorzaakt:  “De meeste klagten geven de vrijgemaakten beneden de vijftienjaren, die zich op zeer vele plantages door onwil en onbetamelijkheden kenmerken, hetgeen niet weinig vermeerderd wordt door de zucht der vrijgemaakte ouders om hunne kinderen aan den geregelden arbeid te onttrekken. ,,Niet overal,” zegt de gouverneur, wordt ook door de volwassenen geregeld gearbeid; niet altijd kan, uit gebrek eener genoegzame politiemagt, vooral in de buitendistricten, met genoegzamen spoed en ernst door de districts-autoriteiten gehandeld worden.”

Het weigeren van het sluiten van een werkcontract, het bezit van een vaartuig en landloperij konden worden bestraft met gevangenisstraffen en tewerkstellingen, variërend van drie maanden tot twee jaar. Er werden disciplinaire straffen door de districtscommissarissen opgelegd (Artikel 36: Straffen op het niet nakomen der overeenkomsten). Men was ook verplicht om altijd een zogeheten livret bij zich te dragen; een soort persoonsbewijs waarop de werkgever was vermeld. Overigens werden vrouwen vrijgesteld wanneer zij met een niet onder Staatstoezicht gestelde man (bijvoorbeeld een ambachtsman) trouwden.

Het is ook voorgekomen dat sommige vrijverklaarden zijn gevlucht naar Brits Guyana. Daar konden zij meer verdienen en waren verlost van het Staatstoezicht. Een voorbeeld:

“In Coronie ontvluchtten in 1864 een aantal jongens het land met de schoener Charlotte van de eigenaar van de plantage. De jongens, die vóór hun vlucht op de suikerplantage Burnside leefden, waren tussen de veertien en zestien jaar. Zij hadden zich laten overhalen door een aantal mannen dat tijdens de slavernij van de plantage waren gevlucht en in het Britse buurland leefden. Bij een bezoek aan Burnside beloofden zij de jongens hulp na hun vlucht.”

CORONIE EN PARA

Op de suikerplantage Ornamibo aan de Parakreek (vroeger district Suriname, nu district Wanica) hebben veel vrijverklaarden al direct na de Keti Koti een werkcontract getekend. Overigens moest men een verzoek indienen om in Paramaribo te mogen werken en vaak werd zo’n verzoek door de districtscommissarissen afgewezen. Maar twee gebieden zijn zeer interessant wat betreft de landbouw onder Afro-Surinamers, namelijk Coronie en Para. In Coronie bleef de bevolking stabiel, omdat het voor de vrijverklaarden vrijwel onmogelijk was om uit het gebied weg te trekken, omdat de wet vrijverklaarden verbood om dit district te verlaten voordat zij een arbeidsovereenkomst met een nieuwe werkgever konden laten zien. Toentertijd was Coronie een geïsoleerd district; het duurde enkele dagen met schepen of boten om Paramaribo te bereiken.

De militaire post te Coronie. Aquarel G.P.H. Zimmerman, ca. 1865

Het was dus lastig om een werkcontract in Paramaribo te verkrijgen. Maar onder de meeste Coronianen bestond ook geen animo om het district te verlaten, hoewel er eigenlijk niet genoeg werk en huisvesting voor hen was. In het gebied Para wilden de vrijverklaarden niet weg uit hun district. Verder was de onbekendheid met de plantagelandbouw een reden om in Para te blijven; de meesten werkten op de houtplantages. Wanneer de vrijverklaarden van werkomgeving wilden veranderen, waren er genoeg houtplantages in de omgeving waar zij terecht konden. De eigenaren van kleine en opnieuw opgezette plantages namen graag arbeiders aan en boden hen nog meer vrijheid dan zij op de grote plantages gewend waren.

Gedurende het Staatstoezicht trokken veel vrijverklaarden heen en weer; van de ene plantage naar de andere, als het hun niet beviel. Met het geld dat zij verdienden, zo stellen de jaarlijkse koloniale verslagen, waren ze niet zuinig. Ze kochten veel in de winkels van de Portugese (afkomstig uit Madeira) en Chinese immigranten, die intussen in de handel waren gegaan en kleine winkels hadden opgericht. Een vermeldenswaardig citaat:

“De spreekwoordelijke luiheid van de Neger is overdreven. In die dagen hebben velen weliswaar getoond afschuw te hebben van de plantage-arbeid, maar dit was niet in de eerste plaats uit luiheid, doch uit een diep gewortelde haat tegen de plantage, met al haar herinneringen aan mishandeling, vernederingen onvrijheid.”

OPLEVING CULTURELE UITINGEN

Tijdens de slavernij waren bepaalde culturele uitingen, zoals de watramamadans-die een uiting was van de wintireligie- eigenlijk verboden, maar men leek zich daar weinig van aan te trekken. Bovendien stonden sommige plantage-eigenaren de dans oogluikend toe. Na Ketikoti klaagden de zendelingen steeds vaker dat gedoopte vrijverklaarden openlijk de wintireligie aanhingen. Hoewel deelname aan ‘heidense’ rituelen strafbaar was, bleef het aantal winti bijeenkomsten toenemen. Er werd gesignaleerd dat “heidensche en afgodendansenin den eersten tijd na de emancipatie meer dan in de laatste jaren te voorschijn traden”

Vrijverklaarden mochten nu ook wettelijke huwelijken sluiten, maar er bleek niet veel enthousiasme hiervoor te bestaan.

Volgens artikel 20 (wet afschaffing der slavernij in Westindië) moest de overheid zorgen dat kinderen ”der onder staatstoezigt geplaatsten gelegenheid hebben om godsdienst onderwijs te genieten én dat zij vanaf twaalf tot vijftien jaar verplicht zijn naar school te gaan slechts gedurende twee uur daags. Dus kinderen hadden het recht om schoolonderwijs te volgen, wat op de plantages door zendelingen en missionarissen werd verzorgd. Het onderwijs boekte echter nauwelijks resultaat. Het regenseizoen, slechte wegen en ziekte waren redenen voor schoolverzuim. Ook zagen veel ouders het belang van de school niet in. Op verafgelegen plantages schoot het onderwijs erbij in, omdat er niet genoeg geld en mankracht voorhanden was.

OPHEFFING STAATSTOEZICHT

Het Staatstoezicht werd in 1873 opgeheven. De onderstaande passage geeft de toenmalige sfeer weer: 

“De opheffing van het evengemeld toezigt werd naar aanleiding van de resolutie van den 27sten Junij 1873, n°. 3 (Gouvernementsbladn°. 28), op dien dag aangekondigd door het lossen, des morgens ten zes ure, van een salut van 21 schoten door het Fort Zeelandia, terwijl van zons op- tot zonsondergang van de forten en batterijen, van de publieke gebouwen en van de schepen, in de Suriname, de Nickerie en op de ankerplaats van het district Coronie werd gevlagd. De dag werd voorts feestelijk gevierd door de van het Staatstoezigt ontslagenen, zonder dat de minste rustverstoring heeft plaats gehad. De bedoelde opheffing was voorafgegaan door eene proclamatie van den Gouverneur dd. 14 Junij 1873 (Gouvernementsblad n°.19), aan de onder het Staatstoezigt geplaatste bevolking. Behalve eenige ongeregeldheden van meer of min ernstigen aard, welke in do 2de helft des jaars 1873, vooral onder de Barbadiaansche immigranten, plaats vonden, en onmiddellijk werden beteugeld , heerschten rust en orde allerwege.”

Met Barbadiaansche immigranten werden bedoeld zwarte contractarbeiders die van het eiland Barbados naar Suriname waren gemigreerd,. Ook van Guyana en andere ander Caribische eilanden, zoals St. Lucia zijn zwarte contractarbeiders gemigreerd naar Suriname.

Prasi oso

Na de opheffing van het Staatstoezicht trokken steeds meer Afro-Surinamers van de plantages naar Paramaribo en velen werden opgevangen door familie, kennissen (pleegmoeder/pleegvader, de zogeheten ‘Peetje’) en kinderen werd vaak als ‘kweekjes’ in Paramaribo opgevangen. Vaak kwamen zij terecht op erfwoningen -meestal achtererven- de voormalige huizen van slaafgemaakten. Er ontstond overbewoning in de zogeheten ‘pras’oso’s. Het Koloniaal Verslag 1874 vermeldt: 

“De geest onder de Creolen-bevolking was zeer goed; geregelde arbeid liet echter over het algemeen te wenschen over. Aan het einde van het Staatstoezicht in 1873 stoppen de meeste vrijgemaakten met werken op de plantages. Nu ze eindelijk echt vrij kunnen kiezen, gaan ze liever in de stad wonen. Voor het werk op de plantages worden contractarbeiders gehaald uit het buitenland.”

In 1873 ontstond de hoop op ‘rijke goudvondsten’ en later kwamen in de goudwinning arbeidsplaatsen beschikbaar die werden opgevuld door veel vrijverklaarden die voorgoed de plantages verlieten en zich in Paramaribo vestigden. De vraag blijft in hoeverre een van de doelen van het Staatstoezicht, namelijk de begeleiding van de vrijverklaarden om met het verdiende arbeidsloon op competente wijze een eigen huishouding te voeren voldoende is geweest. Na de afschaffing van de slavernij veranderde de racistische bejegening van de Afro-Surinamers nauwelijks. Ook tijdens het Staatstoezicht en lang daarna bleven omgangsvormen tussen plantage-eigenaren en hun stafleden, onder wie ook gekleurden (mulatten), gebaseerd op superioriteitsgevoelens tegenover de Afro-Surinamers. Het zou bijna 100 jaar duren voordat zij op politiek niveau volwaardige burgers werden van Suriname, maar in sociaaleconomisch opzicht bleef een grote groep minder succesvol. In dit verband geven wij een vermeldenswaardige citaat van A.L. Waaldijk, hoofdonderwijzer en voorvechter van de emancipatie van Afro-Surinamers. Hij stelde 85 jaar na de afschaffing van de slavernij (in 1948) in een rapportage over de positie van de Creolen i.c. Afro-Surinamers aan de Nederlandse regering:

“Hoe moest nu dit volk, dat tot nog toe het willoos eigendom van een met egoïsme vervulde eigenaar-slavenhouder geweest was, zonder degelijke leiding, zonder financiële steun, zonder de helpende hand van ene beschermer, zich een toekomst bouwen.…Had men zich van de aanvang af tot taak gesteld de vrijgemaakte slaaf te leiden, op te voeden, om te vormen tot een geschikte vrije burger, met voldoende verantwoordelijkheidsbesef, veel onheil ware daardoor voorkomen en stond de samenleving thans zowel sociaal als economischer beslist beter voor.”