Help mee om samen de Surinaamse burgerlijke stand openbaar te maken!

Samen de Surinaamse voorouders online zetten, dat is het doel van het nieuwe project van de Historische Database Suriname. Het gaat om 300.000 openbare geboorte-, huwelijks- en overlijdensakten van de burgerlijke stand van Suriname uit de periode 1828-1950. Invoeren kan gewoon vanuit uw huis, op een tijdstip dat het u het beste uitkomt.

Meldt u aan via: https://hdsc.ning.com 

Op hdsc.ning.com vindt u alle informatie die nodig is om te starten. Hier staat de link naar het invoerscherm en ook het forum waarop u vragen kunt stellen. Daarnaast vindt u op hdsc.ning.com hulplijsten met straatnamen, plantagenamen, persoonsnamen en beroepen, die het invoeren makkelijker maken.

We hopen dat u ook meedoet!

 

Our Story: Granville T. Woods (1856–1910)

Source: Granville T. Woods – Inventions, Family & Facts – Biography 
Known as “Black Edison,” Granville Woods was an African American inventor who made key contributions to the development of the telephone, streetcar and more.

Who Was Granville T. Woods?

Granville T. Woods, born to free African Americans, held various engineering and industrial jobs before establishing a company to develop electrical apparatus. Known as “Black Edison,” he registered nearly 60 patents in his lifetime, including a telephone transmitter, a trolley wheel and the multiplex telegraph (over which he defeated a lawsuit by Thomas Edison). 

Early Life

Born in Columbus, Ohio, on April 23, 1856, Woods received little schooling as a young man and, in his early teens, took up a variety of jobs, including as a railroad engineer in a railroad machine shop, as an engineer on a British ship, in a steel mill, and as a railroad worker. From 1876 to 1878, Woods lived in New York City, taking courses in engineering and electricity — a subject that he realized, early on, held the key to the future.

Back in Ohio in the summer of 1878, Woods was employed for eight months by the Springfield, Jackson and Pomeroy Railroad Company to work at the pumping stations and the shifting of cars in the city of Washington Court House, Ohio. He was then employed by the Dayton and Southeastern Railway Company as an engineer for 13 months.

During this period, while traveling between Washington Court House and Dayton, Woods began to form ideas for what would later be credited as his most important invention: the “inductor telegraph.” He worked in the area until the spring of 1880 and then moved to Cincinnati.

Early Inventing Career

Living in Cincinnati, Woods eventually set up his own company to develop, manufacture and sell electrical apparatus, and in 1889, he filed his first patent for an improved steam boiler furnace. His later patents were mainly for electrical devices, including his second invention, an improved telephone transmitter.

Our Community: Clifton Braam benoemd tot onderdirecteur Cultuur

Uit Startnieuws: 27 Mar, 08:28

Clifton Braam is benoemd tot onderdirecteur van Cultuur. Dit bevestigt Cultuur-directeur Roseline Daan tegenover Starnieuws.

Braam heeft maandag een werkbespreking gehad met Daan over zijn taken en wat van hem verwacht wordt. Afgelopen woensdag was er een kennismakingsbezoek met de beleidsmedewerkers op het departement en op woensdag 31 maart staat een kennismaking met de afdelingshoofden gepland.

Braam is geen onbekende binnen de cultuursector en zal zich de komende tijd bezighouden met het helpen formuleren van een gedegen nationaal cultuurbeleid waarbij alle belanghebbenden betrokken zullen worden, zegt de directeur. De nationale issues op het stuk van kunst en cultuur komen ook op zijn bord.

Our Community: Astrid H. Roemer krijgt Prijs der Nederlandse Letteren 2021

Bron:Literatuur Vlaanderen

Schrijver Astrid H. Roemer (Paramaribo, 27 april 1947) ontvangt dit najaar de Prijs der Nederlandse Letteren 2021. Aan de prijs is een geldbedrag verbonden van € 40.000. Minister-president van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Cultuur Jan Jambon maakte dit namens het Comité van Ministers van de Taalunie bekend. Astrid H. Roemer is de eerste auteur uit Suriname die bekroond wordt met de Prijs der Nederlandse Letteren.

© Raúl Neijhorst

Uit het juryverslag

“Met haar romans, toneelteksten en gedichten bekleedt Astrid H.  Roemer een unieke positie in het Nederlandstalige literatuurlandschap. Haar werk is onconventioneel, poëtisch en doorleefd. Roemer slaagt erin thema’s uit de recente grote geschiedenis, zoals corruptie, spanning, schuld, kolonisatie en dekolonisatie, te verbinden met de kleine geschiedenis, het verhaal op mensenmaat“, stelt de jury onder voorzitterschap van prof. dr. Yves T’Sjoen.

Politiek engagement en literair experiment

Astrid Heligonda Roemer werd op 27 april 1947 geboren in Paramaribo (Suriname). Ze debuteerde in 1970 onder het pseudoniem Zamani met de dichtbundel Sasa: mijn actuele zijn en publiceerde sindsdien behalve poëzie ook romans en theaterstukken. Roemers verhalend proza vormt het belangrijkste onderdeel van haar oeuvre, waaronder ook haar magnum opus: de trilogie Gewaagd leven (1996), Lijken op liefde (1997) en Was getekend (1998)Haar meest recente werk, Gebroken Wit, verscheen in 2019. In haar werk spelen thema’s als migratie, seksuele oriëntatie, racisme en emancipatie een grote rol. Kenmerkend voor haar stijl zijn de rijkdom aan beelden en symboliek en het experimenteren met verschillende stijlvormen en verhaalstructuren. In 2016 ontving Astrid H. Roemer de P.C. Hooftprijs voor haar gehele oeuvre.

Oeuvreprijs

De Prijs der Nederlandse Letteren is de meest prestigieuze literaire prijs in het Nederlandse taalgebied en onderscheidt auteurs van belangrijke, oorspronkelijk in het Nederlands geschreven letterkundige werken. De prijs wordt eens per drie jaar toegekend aan een auteur van wie het oeuvre een belangrijke plaats inneemt in de Nederlandstalige literatuur. De prijs wordt gefinancierd door de Taalunie. De organisatie ligt beurtelings in handen van Literatuur Vlaanderen en het Nederlands Letterenfonds.

De onderscheiding heeft als doel de Nederlandstalige cultuur, binnen en buiten het taalgebied, onder de aandacht te brengen. De prijs onderstreept bovendien het feit dat in het Nederlands kwalitatief hoogstaande literatuur wordt geschreven.

In 1956 kreeg de Vlaamse schrijver Herman Teirlinck de prijs voor het eerst. In 2018 ging de prijs naar de Nederlandse dichter en schrijver Judith Herzberg.

Uitreiking

De prijs wordt afwisselend uitgereikt door de Nederlandse en de Belgische Koning. In oktober 2021 zal Koning Filip de prijs overhandigen aan Astrid H. Roemer in Brussel (onder voorbehoud van eventuele coronamaatregelen). De literaire podiumorganisatie Behoud de Begeerte staat mee in voor de organisatie.

Our Story: Daniel Hale Williams, pionier op het gebied van hartchirurgie

Amerikaanse arts Daniel Hale Williams (18 januari 1856-4 augustus 1931), een pionier op het gebied van de geneeskunde, was de eerste Black arts om succesvolle open voeren hart chirurgie. Dr. Williams richtte ook het Provident Hospital in Chicago op en was medeoprichter van de National Medical Association.

Vroege jaren

Daniel Hale Williams, III, werd geboren op 18 januari 1856 als zoon van Daniel Hale en Sarah Price Williams in Hollidaysburg, Pennsylvania. Zijn vader was een kapper en het gezin, inclusief Daniel en zijn zes broers en zussen, verhuisde naar Annapolis, Maryland, toen Daniel nog een jonge jongen was. Kort na de verhuizing stierf zijn vader aan tuberculose en zijn moeder verhuisde het gezin naar Baltimore, Maryland. Daniel werd een tijdje schoenmakersleerling en verhuisde later naar Wisconsin, waar hij kapper werd. Na zijn afstuderen aan de middelbare school raakte Daniel geïnteresseerd in medicijnen en diende hij als leerling bij een bekende plaatselijke chirurg, Dr. Henry Palmer. Deze stage duurde twee jaar, en daarna werd Daniel toegelaten tot het Chicago Medical College, verbonden aan Northwestern University. Hij studeerde af in 1883 met een MD-graad.

Carrière en prestaties

Dr. Daniel Hale Williams begon geneeskunde en chirurgie te beoefenen in de South Side Dispensary in Chicago. Hij was ook de eerste zwarte anatomie- instructeur aan het Chicago Medical College, waar hij opmerkelijke toekomstige artsen lesgaf, zoals Mayo Clinic’s mede-oprichter Charles Mayo. Tegen 1889 waren andere opmerkelijke benoemingen voor Dr. Williams onder meer de City Railway Company, de Protestant Orphan Asylum en de Illinois State Board of Health. Dit waren voor die tijd zeer unieke prestaties, gezien het feit dat er op dit punt in de geschiedenis van de Black American maar heel weinig zwarte artsen waren .

Dr. Williams verwierf een reputatie als een zeer bekwame chirurg wiens praktijk behandeling omvatte voor alle patiënten, ongeacht ras. Dit was in die tijd levensreddend voor zwarte Amerikanen omdat ze geen toegang kregen tot ziekenhuizen. In ziekenhuizen mochten zwarte doktoren ook niet op het personeel komen. In 1890 vroeg een vriend van Dr. Williams hem om hulp omdat zijn zus de toegang tot de verpleegschool werd geweigerd omdat ze zwart was. In 1891 richtte Dr. Williams de Provident Hospital and Nursing Training School op. Dit was het eerste interraciale ziekenhuis in de VS dat eigendom was van en geëxploiteerd werd door het Zwart en diende als oefenterrein voor verpleegsters en zwarte doktoren.

Eerste openhartoperatie

In 1893 verwierf Dr. Williams bekendheid omdat hij met succes een man, James Cornish, met steekwonden in het hart behandelde. Hoewel artsen destijds op de hoogte waren van het revolutionaire werk van Louis Pastuer en Joseph Lister met betrekking tot ziektekiemen en medische chirurgie, werd openhartoperatie over het algemeen vermeden vanwege het hoge risico op infectie en daaropvolgend overlijden. Williams had geen toegang tot röntgenfoto’s, antibiotica, anesthetica, bloedtransfusies of moderne apparatuur. Met behulp van de antiseptische techniek van Lister, voerde hij de operatie uit waarbij hij het pericardium (beschermende voering) van het hart hechtte. Dit zou de eerste succesvolle hartoperatie zijn die wordt uitgevoerd door een zwarte arts en de tweede door een Amerikaanse arts. In 1891, Henry C. Dalton had operatief een pericardiale wond van het hart gerepareerd bij een patiënt in St. Louis.

Latere jaren

In 1894 verkreeg Dr. Williams de functie van hoofdchirurg in het Freedmen’s Hospital in Washington, DC. Dit ziekenhuis diende de behoeften van de arme en voorheen tot slaaf gemaakte mensen na de burgeroorlog . In vier jaar tijd heeft Williams het ziekenhuis getransformeerd, waardoor dramatische verbeteringen zijn aangebracht in de opname van chirurgische gevallen en het sterftecijfer van het ziekenhuis drastisch is teruggedrongen.

Dr. Daniel Hale Williams slaagde er zijn hele leven in ondanks discriminatie . In 1895 was hij medeoprichter van de National Medical Association als reactie op de weigering van het lidmaatschap van zwarte mensen door de American Medical Association. De National Medical Association werd de enige nationale professionele organisatie die beschikbaar was voor zwarte artsen.

In 1898 nam Williams ontslag bij Freedmen’s Hospital en trouwde met Alice Johnson, dochter van beeldhouwer Moses Jacob Ezekiel. De pasgetrouwden keerden terug naar Chicago, waar Williams hoofd chirurgie werd in het Provident Hospital.

Dood en erfenis

Nadat hij in 1912 ontslag had genomen bij het Provident Hospital, werd Williams aangesteld als stafchirurg in het St. Luke’s Hospital in Chicago. Onder zijn vele onderscheidingen werd hij de eerste zwarte kerel van het American College of Surgeons genoemd. Hij bleef in het St. Luke’s Hospital totdat hij in 1926 een beroerte kreeg. Na zijn pensionering bracht Williams zijn resterende dagen door in Idlewild, Michigan, waar hij stierf op 4 augustus 1931.

Dr. Daniel Hale Williams zou een erfenis van grootsheid nalaten ondanks discriminatie. Hij toonde aan dat zwarte mensen niet minder intelligent of waardevol zijn dan alle andere Amerikanen. Hij heeft vele levens gered door het Provident Hospital op te richten en bekwame medische zorg te bieden, en hij hielp ook bij het opleiden van een nieuwe generatie zwarte artsen en verpleegsters.

Bronnen

  • “Daniel Hale Willaims: Alumni-expositie.” Walter Dill Scott, University Archives, Northwestern University Library , Northwestern University Archives (NUL), exhibits.library.northwestern.edu/archives/exhibits/alumni/williams.html.
  • “Daniel Hale Williams.” Biography.com , A&E Networks Television, 19 januari 2018, www.biography.com/people/daniel-hale-williams-9532269.
  • “Geschiedenis – Dr. Daniel Hale Williams.” The Provident Foundation , www.providentfoundation.org/index.php/history/history-dr-daniel-hale-williams.
  • “De tweede openhartoperatie van de natie, 119 jaar geleden in Chicago uitgevoerd.” The Huffington Pos t, TheHuffingtonPost.com, 10 juli 2017, www.huffingtonpost.com/2012/07/09/daniel-hale-williams-perf_n_1659949.html. 

Onderschatting van alles waar een marron aan begint (I)

UIT: DWT 30/01/2021 14:07

PARAMARIBO – De dagelijkse praktijk doet vermoeden dat er nog steeds stedelingen zijn die denken dat de marrons uit het binnenland van Suriname aan de onderkant van de samenleving behoren te zijn. In een serie artikelen met als thema ‘Onderschatting van alles waar een marron aan begint’ zullen de identiteitsvormingsprocessen en de zichtbare bijdragen van de marrons aan de ontwikkeling van Suriname nader worden toegelicht.

Tekst: André Mosis

Rond 1650 is de slavernij in Suriname begonnen, waarbij gedeporteerde tot slaafgemaakte West-Afrikanen, slavenarbeid verrichtten op de diverse plantages onder onmenselijke omstandigheden. Enkelen van deze Afrikanen ontvluchtten de slavernij en organiseerden zich op veilige afstanden in het bos langs grote rivieren en kreken, van waaruit zij offensieven voorbereidden tegen de plantage-eigenaren.

De omstandigheden dwongen hen te kiezen voor vechten voor vrijheid, boven het leven in gevangenschap voor het verrichten van levenslange dwangarbeid. Regelmatig overvielen zij de plantages, bevrijdden slaven en voerden gezamenlijk een guerrillaoorlog tegen de plantage-eigenaren. Deze actie werd door de plantage-eigenaren betiteld als marronage, terwijl de vrijheidsstrijders zelf de naam marrons kregen. Het aantal marrons groeide enorm en vormde op den duur een ernstige bedreiging voor de plantage-economie, de zogenaamde plantocratie.

De marrons hebben na ruim een eeuw met succes hun vrijheid bevochten. De koloniale overheid, die hen zonder het gewenste succes bestreed met militaire patrouilles, was genoodzaakt vrede te sluiten met de meest opstandige groepen: met de Okanisi op 10 oktober 1760, op 19 september 1762 met de Saamaka en in 1767 met de Matawai. Sommige groepen marrons waren officieel al 103 jaar vóór de afschaffing van de slavernij tot vrije mensen verklaard. Uiteindelijk zijn er zes marronsamenlevingen ontstaan met een eigen bestuurssysteem in het Surinaamse binnenland.

Vrijheid en gebondenheid

Na analyse van de vrijheidsstrijd van de marrons en de ontwikkeling van hun traditionele samenlevingen wordt geconcludeerd dat er sprake is van vrijheid en gebondenheid. Vanaf het ontstaan van de marrongemeenschappen in het binnenland van Suriname heeft nooit een situatie van volledige autarkie zich voorgedaan.

Voor bepaalde goederen zoals, geweren, munitie, kapmessen en kleding zijn de marrons steeds afhankelijk geweest van de kustsamenleving. Voor de voortplanting en ontwikkeling van een oorlogseconomie en een strijdmacht hadden de marrons, die voornamelijk uit mannen bestonden, regelmatig vrouwen gehaald uit de plantages. Tijdens de marronage verkregen zij de benodigde goederen via overvallen op de plantages en vanaf de vredesverdragen werd deze afhankelijkheid geïnstitutionaliseerd in geregelde goederenzending. De marrons ontlenen hun aparte status aan de eerder aangehaalde vredesverdragen. Het bestaan van deze ‘autonome’ marrongemeenschappen in Suriname wordt door sommigen getypeerd als een staat binnen een staat.

Marronage

Ondanks dat deze mensen zelf een eigen verzamelnaam gekozen hebben, kregen zij in de loop der jaren verschillende namen van onder meer plantage-eigenaren, de koloniale overheid, de kerk, de centrale overheid en politici. De collectieve naam marrons is de identiteit van alle vrijheidsstrijders die vanuit marronage succesvol hebben gevochten voor de vrijheid. Marronage is een ingreep uit de slavernijgeschiedenis, die gezien wordt als het meest succesvol verzet tegen onderdrukking en dehumanisering.

Marronage is de enige effectieve revolutionaire actie van de tot slaafgemaakte Afrikanen tegen de witte suprematie. Marronnage heeft geleid tot het vormen van eenheid, broederschap, verbondenheid, betrokkenheid en de uiteindelijke vrijheid van de tot slaafgemaakte Afrikanen in Suriname.

De betekenis die het begrip marronage verdient, is “moedwillig vluchten van een slavenplantage en de plantage-eigenaar de oorlog verklaren”. Het begrip of de verzamelnaam marrons is afgeleid van cimarron en betekent onder meer loslopend vee, voortvluchtige Indiaan, gevluchte slaaf, bergbewoner, ontsnap en verwilderd huisdier, bosneger, et cetera.

Bezwaren

Behalve de inheemsen, wonen in het binnenland van Suriname zes marrongroepen, die zichzelf noemen: Saamaka, Matawai, Kwinti, Okanisi (Ndyuka), Pamaka en Aluku. Aan alle termen die anderen als verzamelnaam hebben of zullen gebruiken voor deze zes sociale groepen Afro-Surinamers, kleven bezwaren. Sommige van de verzamelnamen zijn mensonterend, anderen wekken associaties met racisme en weer anderen die een politieke lading hebben.

• Gespuis, hydra, weggelopen slaven: is mensonterend

• Bosnegers: wekt associaties met racisme

• Boscreolen, Businengee, Fiiman Paansu, Loweman Paansu: is niet voldoende bekend

• Boslandcreolen: heeft een politieke lading

• Afro-Surinamers: is niet specifiek genoeg

• Bush-, Afro-Americans: is een internationale, politiek correcte term, maar wel erg lang en onvoldoende bekend.

• De term marrons is eigenlijk out-dated aangezien men sedert de afschaffing van de slavernij niet meer kan spreken van ‘weggelopen (menselijk) vee’. Desondanks is deze aanduiding internationaal bekend omdat marronage inherent was aan de slavernij in Noord- en Zuid-Amerika en in het Caribisch Gebied.

‘Marrons’ (‘Maroons’ in het Engels) is een geuzennaam die uitdrukking geeft aan besef van de historische betekenis van de vrijheidsstrijd van de tot slaafgemaakte Afrikanen. De geuzennaam ‘Marrons’ is een benadering van uit het begrip marronage. In die context is marrons de identiteit van de overwinnaars van de vrijheidsstrijd. Wereldwijd zijn het overwinnaars die geschiedenis schrijven. De Surinaamse marrons verdienen het om zelf geschiedenis te schrijven voor wat betreft de vrijheidsstrijd van de tot slaafgemaakte Afrikaanse voorouders. Of de geuzennaam marrons slecht is of niet “wij moeten een betekenis aan verbinden die voor de groep aanvaardbaar is namelijk, de identiteit van de vrijheidsstrijders die succesvol gestreden hebben”.

We moeten ons realiseren dat de familienamen van de meeste Afro-Surinamers gelinkt zijn aan de achternamen van de vroegere slavenmeesters of diens plaats van afkomst. Niemand haast zich om die collectieve Hollandse, Engelse, Franse, Portugese of Joodse achternamen te wijzigen. Sterker nog, marrons die erbij wilde horen, moesten bewust of onbewust hun Afrikaanse namen vervangen door Hollandse namen.

Marronkinderen die Afrikaanse namen hadden, werden gedwongen door sommige schooldirecties om westerse namen aan te nemen alvorens zij zich konden inschrijven op een school. Kinderen die gedoopt werden, kregen Bijbelse namen. Feit is dat onze naamgeving nog steeds behoort tot de nalatenschap van het kolonialisme. De gedwongen achternamen van vele Afro-Surinamers voldoen nog steeds aan de wensen van de kolonisator.

De vraag dringt zich op waarom een beduidend aantal marrons zonder zich te bedenken dingen van andere culturen overneemt. Met alle gevolgen van dien slagen sommigen in hun missie en weer anderen stranden in hun zoektocht naar nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden. Gelukkig is er nog een grote groep marrons die zich bezighoudt met het ontwikkelen van het eigene binnen hun eigen traditionele samenleving.

Sinds de grote trek van de marrons uit het binnenland naar het kustgebied in de jaren zestig van de vorige eeuw als gevolg van politieke beloftes en het aanbod van loonarbeid bij de overheid, begonnen enkelen ook met kleine ondernemingen in de vorm van eenmanszaken op het gebied van landbouw, houtkap, kunstnijverheid, transport, visserij en spiritualiteit. Geïnspireerd door het kleine succes van deze pioniers zijn meerdere marrons gestart met ondernemingen in andere sectoren zoals, horeca, houtbewerking, toerisme, goud, gevechtssport, muziek, politiek, industriële ontwikkeling, schoonmaak, kleding, accessoires, lichamelijke verzorging, woningbouw, media en het ontwikkelen van moderne kunst.

Middels deze zichtbaar maatschappelijke participatie, geven de marrons een duidelijk signaal, dat zij die in Paramaribo wonen en werken, nooit meer massaal zullen remigreren naar het binnenland. Dat signaal van permanente aanwezigheid in Paramaribo wordt dagelijks zichtbaar gemaakt via informatieve en educatieve radio- en tv-programma’s bij Koyeba Radio en TelevisieAsosye Radio en Televisie en TV Binnenland, waar marrons zelf de scepter zwaaien. Trouwens, als op één na grootste bevolkingsgroep van Suriname, zijn de marrons niet alleen zichtbaar in het straatbeeld maar ook goed vertegenwoordigd op bijna alle niveaus op de maatschappelijke ladder in Paramaribo. Helaas behoren geweldpleging en criminaliteit ook tot de bezigheden van een aanzienlijk aantal marrons.

Maatschappelijke participatie

Het is opvallend dat er veel meer negatieve berichten over de marrons de media schijnen te bereiken in vergelijking met positief nieuws met betrekking tot de bijdragen die zij leveren aan de ontwikkeling van Suriname. Wanneer een marron met een onderneming begint, lijkt het alsof dat amper serieus wordt genomen en er niet wordt gekeken naar de motivatie en doelgerichtheid van de ondernemende marrons. Slechts een klein deel van de stadsbevolking schijnt eventueel rekening te houden met de behoefte en levensvatbaarheid van een onderneming waar een marron aan begint.

Overigens dacht en denkt men nog steeds dat zaken waar een marron aan begint, gedoemd zijn te mislukken. Wat de praktijk ons doet geloven, is dat stedelingen nog steeds denken, dat de marrons uit het binnenland van Suriname aan de onderkant van de samenleving behoren te zijn. Dat beeld is ooit gecreëerd door de vroegere stadsbewoners en is jammer genoeg in stand gehouden door de generaties die volgden!

Dat die gedachtegang verkeerd is en niet langer in deze tijd thuishoort, vereist een nadere toelichting over de marrons in historisch perspectief. Belangrijke factoren die de volledige maatschappelijke participatie van de marrons hebben belemmerd, zijn het onderwijs en het gebrek aan knowhow op het gebied van partijpolitieke ontwikkeling. Constructieve samenwerking zou daarbij een oplossing kunnen zijn, maar wantrouw en rivaliteit zorgden herhaaldelijk voor versplintering.

Achterstandspositie

De achterstandspositie van de marrons is te wijten aan het jarenlange isolement in het binnenland van Suriname. Ook deze achterstand is bewust gecreëerd en in stand gehouden door de centrale overheid in Paramaribo. Een nogal grote groep marrons is gestaag bezig met inhalen van de achterstandspositie ten opzichte van de andere grote bevolkingsgroepen.

Ondanks een sterk besef van de eigen cultuur, dat zich soms uit in een vorm van chauvinisme, zijn de marrons in toenemende mate de kustsamenleving als een referentiemaatschappij gaan zien. Men voelde zich ten achtergesteld in het binnenland, maar het frequente contact met het kustgebied, het onderwijs, de kerstening en het toerisme, hebben het leven van de marrons sterk beïnvloed. Dit heeft mede geleid tot permanente vestiging van velen in de stad waardoor er een proces van creolisering is opgetreden. Daarnaast is hun culturele identiteit onder sterke druk komen te staan.

De eerdergenoemde grote trek van de marrons naar de stad, bracht hen in nauwer contact met het stadsleven, waar zij met vallen en opstaan aan moesten wennen. Vooral discriminerende, beledigende en racistische opmerkingen van stadsbewoners maakten dat er een onnodig, zeer lange periode voorafging aan de moeizame integratie van de marrons in Paramaribo.

Het toentertijd ontbreken van rolmodellen binnen de eigencommunityin Paramaribo speelde een belangrijke rol bij de integratie. De huidige marronorganisaties en voorbeeldfiguren dienen de jongeren goed te informeren over de identiteitsvormingsprocessen van de marrons en de bijdragen die zij leveren aan de maatschappelijke ontwikkeling ter voorkoming van etnische stereotypering.

Voornamelijk de jongeren onder de marrons die de interne geschiedenis en culturele achtergrond niet voldoende kennen, moeten zich onderwerpen aan gedegen voorlichtingsprogramma’s. Deze jonge generatie marrons is beduidend trots op hun afkomst, maar ze moeten nog worden klaargestoomd voor de volgende fase en daarbij dienen zij het hele verhaal goed te kennen: van vluchten, vechten en collectief strijden voor de algehele vrijheid.

In de volgende artikelen zal ik ingaan op de politieke invloed van de centrale overheid op de marronsamenleving en de attitude van superioriteit van de stedelingen, met name de stadscreolen ten opzichte van de marrons na de afschaffing van de slavernij.

Toen de slavernij op 1 juli 1863 is afgeschaft, werden zoals verwacht nieuwe ontwikkelingen in gang gezet. Daar zijn de marrons niet massaal bij betrokken. Suriname was nog steeds een kolonie van Nederland, dat in de zeventiende en achttiende eeuw zelf een republiek was. Begin negentiende eeuw werd Nederland een koninkrijk. Namens de koloniale mogendheid was het bestuur in Suriname in handen van een gouverneur. Pas met de invoering van het algemeen kiesrecht in 1948 zou hier verandering in komen.

In de loop der eeuwen zijn er enige wijzigingen opgetreden in de overheidsinstanties die verantwoordelijk zijn geweest voor het contact met de marrons. Tot halverwege de twintigste eeuw was de gouvernementssecretaris hiermee belast. De posthouders en bijleggers onderhielden namens de gouvernementssecretaris het directe contact met de marrons.

Toen deze functies in 1863 werden opgeheven, nam een officier van het Korps Gewapende Burgerwacht deze positie over. Sinds de Tweede Wereldoorlog is de districtscommissaris verantwoordelijk voor het contact met de marrons. Voor het veldwerk kreeg hij ondersteuning van bestuursopzichters.

De taak van de voormalige gouvernementssecretaris is in 1954 overgenomen door de directeur van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Eind 1969 tijdens het kabinet van Jules Sedney werd een nieuw ministerie van Districtsbestuur en Decentralisatie in het leven geroepen. Het districtsbestuur heeft sindsdien onder uiteenlopende ministeries geressorteerd en valt sinds 1988 onder het ministerie van Regionale Ontwikkeling (RO; thans ministerie van Regionale Ontwikkeling en Sport).

Nederland kondigde tijdens de Tweede Wereldoorlog een wijziging aan in de verhouding tot zijn overzeese gebiedsdelen. De eerste belangrijke politieke invulling hiervan voor Suriname vormde de introductie van het algemeen kiesrecht in 1948.

De tweede stap bestond uit de oprichting van het Statuut in 1954, dat Suriname interne autonomie verschafte. Vanaf dat moment was Suriname dus zelf verantwoordelijk voor de invulling van zijn binnenlandse politiek en dus ook voor het beleid ten opzichte van de marrons.

Duidelijker dan voorheen kreeg de overheid sindsdien een partijpolitieke kleur. De eerste politieke partijen werden rond 1946 langs etnische lijnen opgericht en vertegenwoordigden elk een bevolkingsgroep. In 1949 werden de eerste algemene verkiezingen gehouden. De grootste partijen waren de NPS (partij van de creolen), de VHP (partij van de Hindostanen) en de KTPI (partij van de Javanen). De zetelverdeling in de Staten van Suriname was: dertien zetels voor de NPS, zes voor de VHP en twee voor de KTPI.

Alhoewel in theorie toen elke volwassen Surinamer die kiesgerechtigd was, kon stemmen, viel de praktijk anders uit. Om te kunnen stemmen moest men uiteraard zijn geregistreerd. Aangezien het overgrote deel van de bevolking van het binnenland niet stond geregistreerd, was zij uitgesloten van deelname aan de verkiezingen. Individuele binnenlandsbewoners die wel stonden geregistreerd, konden natuurlijk wel stemmen. Door desinteresse en nalatigheid van de overheid zou het tot 1963 duren voordat de marrons als stemvee konden deelnemen aan de verkiezingen. Overigens, de registratie is tot op heden niet perfect geregeld.

Deelname van de marrons aan algemene politieke verkiezingen met een eigen marron politieke partij, de PBP (Progressieve Bosnegerspartij) duurde tot 24 oktober 1969. De PBP behaalde één zetel. Twintig jaar partijpolitieke achterstand moest dus worden ingehaald.

Uiteenlopende ontwikkelingen gaven aanleiding tot deze situatie. Het Kiesstelsel zoals dat in 1948 werd ingevoerd, had een sterk discriminerend karakter. De partijpolitieke ontwikkeling in Suriname heeft om historisch verklaarbare redenen plaatsgevonden op etnisch-religieuze basis. Ideologische uitgangspunten speelden vrijwel geen rol binnen het ontworpen kiesstelsel. De positie van de stad was zwaar oververtegenwoordigd en de creoolse partijen profiteerden hier flink van.

In de jaren vijftig nam de kritiek op dit stelsel toe en ingaande de verkiezingen van 1963 werd er een gecombineerd systeem van personen meerderheidsstelsel in de kieskringen en landelijke evenredige vertegenwoordiging ingevoerd, waarbij tevens het aantal Statenzetels werd uitgebreid. Het ledental werd opgevoerd naar 36 waarvan 24 gekozen volgens het personenmeerderheidsstelsel en twaalf gekozen volgens het stelsel van evenredige landelijke vertegenwoordiging. Bij landsverordening van 28 december 1966 werd het aantal leden uitgebreid tot 39.

NPS dominantie in binnenland

De NPS stond uitermate gereserveerd tegenover het systeem van evenredige vertegenwoordiging en de partij ging slechts akkoord onder voorwaarde dat er enkele speciale kieskringen in het binnenland kwamen. Hiertoe werd de bestaande kieskring Marowijne gesplitst in Boven- en Beneden- Marowijne en werd als nieuwe kieskring Brokopondo ingesteld.

Naast mogelijke idealistische overwegingen moet het besluit tot het instellen van deze speciale kieskringen voor het binnenland ook gezien worden in het licht van de etnisch gebonden politiek, waarbij de grootste bevolkingsgroep ook de grootste politieke partij voortbrengt. Statistische bevolkingsgegevens uit die periode tonen aan dat er zich kwantitatieve verschuivingen tussen de verschillende bevolkingsgroepen voltrokken. Het zag er naar uit dat de Hindostanen de creolen zouden kunnen inhalen qua aantallen.

De NPS onder leiding Johan Adolf Pengel was hiervoor gevoelig en verwachtte dit proces te kunnen remmen door de etnisch verwante marrons in het binnenland te betrekken in de politiek. Teneinde deze verwantschap te benadrukken werden de marrons ook wel Bosnegers genoemd, terminologisch ‘opgewaardeerd’ tot Boslandcreolen, een begrip dat in de jaren vijftig administratief werd geïntroduceerd en dat sindsdien in met name het kustgebied sterke opgang heeft gemaakt.

Binnen de NPS werd ook geopperd dat het begrip creool ook moest worden opgewaardeerd wat geleid heeft tot het nieuwe begrip stadscreool. Overigens, het begrip boscreool dateert al uit de achttiende eeuw en stond voor in vrijheid geboren marrons, zoals bijvoorbeeld Boni. Rondom de term boslandcreool zou zich een hele discussie ontspinnen. Zij bleven zich intussen gewoon ‘busi nengee’ noemen.

Een andere factor die bijdroeg tot de realisatie van het kiesrecht voor de marrons was de Brokopondo Overeenkomst. De transmigratie zorgde namelijk voor een versnelde registratie van de betrokken marrons en er werd een apart district – Brokopondo – ingesteld. De vrees van de NPS voor het systeem van evenredige vertegenwoordiging bleek vooralsnog ongegrond en de partij behaalde een daverende overwinning tijdens de op 25 maart 1963 gehouden verkiezingen. De NPS haalde tevens de zetels binnen van de zogenaamde binnenlandse kieskringen.

Als eerste marron deed de EBG-onderwijzer en -voorganger Wilfred Liefde (1920- 1965) uit Ganze namens de NPS voor het district Brokopondo zijn intrede in de Staten van Suriname. Overigens, de opkomst van de marrons bij deze verkiezingen was gering en de registratie liet nog erg veel te wensen over.

Aan deze verkiezingen van 1963 hield Diitabiki als eerste marrondorp in het binnenland een lichtmotor over. Sindsdien zouden, vooral rond verkiezingstijd, vele dorpen worden beloond met dergelijke nutsvoorzieningen. Tijdens de campagnes werden allerlei beloften gedaan die over het algemeen zelden werden nagekomen.

Sinds deze verkiezingen wist de NPS met succes haar dominante positie in het binnenland te behouden. Zo werd bijvoorbeeld Sam Vreede, schoolhoofd te Klaaskreek, vier achtereenvolgende keren voor het district Brokopondo verkozen tot Statenlid. Het succes van de NPS in het binnenland kan mede worden verklaard uit haar positie als regeringspartij, de structurele zwakte van de toenmalige opkomende marron-politieke partijen en de raciale factor. Als regeringspartij beschikte de NPS over ruimere middelen, waardoor zij meer kon bieden en bovendien kon zij gebruik maken van allerlei overheidsfaciliteiten zoals, bijvoorbeeld transport. Verder waren veel ambtenaren van de bestuursdienst partijmensen.

Een belangrijk kenmerk van de Surinaamse politiek is het zogenaamde clientèle systeem. In ruil voor stemmen worden tegenprestaties verwacht. De marrondignitarissen sloten een zo voordelig mogelijke overeenkomst met de meest biedende partij en dat was in de meeste gevallen de NPS. Zij werden ook geconsulteerd door de kabinetsformateurs.

Het van oudsher bekende systeem van goederenzendingen ten tijde van de vredesverdragen (1760-1762-1767) werd tijdens de verkiezingscampagnes in ere hersteld en in korte tijd bouwde de NPS een politieknetwerk van vertrouwensmannen op in het binnenland. Politieke benoemingen en bevorderingen van dignitarissen werden hierbij niet geschuwd.

Gezien het raciale karakter van de politiek waren de marrons eerder geneigd om op de NPS te stemmen dan op bijvoorbeeld de VHP. De politieke machtspositie van de NPS in het binnenland werd systematisch afgezwakt door slimme politiekvoering van de VHP, het ontstaan van meerdere creoolse politieke partijen, de politieke bewustwording en de snelle ontwikkeling van de marrons op het gebied van onderwijs.

Bronnen:

• Archief De Nationale Assemblee

• Archief de Ware Tijd

• Thoden van Velzen en Van Wetering, 1988

• Informant: Bert Eersteling (schrijver van onder meer ‘Koffiekampers in de politiek’, ‘Het binnenland en de politiek’, ‘Het woord marron in Surinaams historisch perspectief’ et cetera)

• Wikipedia: Onderwijs in Suriname

• Plantage Jagtlust (Jacob van den Burg)

• Bosnegers en Overheid Ontwikkelingen van de politieke verhoudingen 1650-1988 (André Mosis en Ben Scholtens)

• OSO. Tijdschrift voor Surinaamse taalkunde, letterkunde en geschiedenis. Jaargang 12 en 19

inaamse taalkunde, letterkunde en geschiedenis. Jaargang 12 en 19

Our Story: John Albert Burr, uitvinder van de grasmaaier

Als u vandaag een handmatige duwmaaier heeft, gebruikt deze waarschijnlijk ontwerpelementen van de gepatenteerde roterende grasmaaier van de 19e-eeuwse zwarte Amerikaanse uitvinder John Albert Burr.

Op 9 mei 1899 patenteerde John Albert Burr een verbeterde grasmaaier met roterende messen. Burr ontwierp een grasmaaier met tractiewielen en een roterend mes dat zo is ontworpen dat hij niet gemakkelijk verstopt raakt door gemaaid gras. John Albert Burr verbeterde ook het ontwerp van grasmaaiers door het mogelijk te maken dichter bij gebouwen en muurranden te maaien. U kunt Amerikaans octrooi 624.749, verleend aan John Albert Burr, bekijken.

Het leven van een uitvinder

John Burr werd in 1848 in Maryland geboren en was dus een tiener tijdens de burgeroorlog. Zijn ouders waren tot slaaf gemaakt en werden later vrijgelaten, en hij kan ook tot slaaf zijn gemaakt tot de emancipatie die plaatsvond toen hij 17 was. Hij ontsnapte echter niet aan handenarbeid, omdat hij tijdens zijn tienerjaren als een veldhand werkte.

Maar zijn talent werd erkend en rijke zwarte activisten zorgden ervoor dat hij technische lessen kon volgen aan een particuliere universiteit. Hij zette zijn mechanische vaardigheden in om de kost te verdienen met het repareren en onderhouden van landbouwmachines en andere machines. Hij verhuisde naar Chicago en werkte ook als staalarbeider. Toen hij in 1898 zijn octrooi voor de cirkelmaaier indiende, woonde hij in Agawam, Massachusetts.

De roterende grasmaaier

“Het doel van mijn uitvinding is het verschaffen van een omhulsel dat de aandrijfoverbrenging geheel omsluit om te voorkomen dat het verstikt raakt door het gras of verstopt raakt door obstakels van welke aard dan ook”, luidt de octrooiaanvraag.

John Albert Burr's grasmaaier patent, 1899
 De grasmaaier van John Albert Burr werd gepatenteerd in 1899. US Patent and Trademark Office / publiek domein 

Het ontwerp van de roterende grasmaaier van Burr hielp de irritante verstoppingen van maaisel te verminderen die de vloek zijn van handmaaiers. Het was ook beter manoeuvreerbaar en kon worden gebruikt om dichterbij objecten zoals palen en gebouwen te knippen. Zijn patentdiagram laat duidelijk een ontwerp zien dat tegenwoordig zeer bekend is voor handcirkelmaaiers. Aangedreven maaiers voor thuisgebruik waren nog tientallen jaren verwijderd. Omdat gazons in veel nieuwere buurten kleiner worden, keren veel mensen terug naar handmatige cirkelmaaiers zoals het ontwerp van Burr.

Burr bleef verbeteringen aan zijn ontwerp patenteren. Hij ontwierp ook apparaten om het maaisel te mulchen, te zeven en te verspreiden. De huidige mulchmaaiers kunnen deel uitmaken van zijn nalatenschap, omdat ze voedingsstoffen teruggeven aan de grasmat in plaats van ze op te bergen voor compost of verwijdering. Op deze manier hielpen zijn uitvindingen arbeid te besparen en waren ze ook goed voor het gras. Hij bezat meer dan 30 Amerikaanse patenten voor gazononderhoud en landbouwuitvindingen.

Later leven

Burr genoot van de vruchten van zijn succes. In tegenstelling tot veel uitvinders die hun ontwerpen nooit gecommercialiseerd zien of al snel voordelen verliezen, ontving hij royalty’s voor zijn creaties. Hij genoot van reizen en lezingen geven. Hij leefde een lang leven en stierf in 1926 op 78-jarige leeftijd aan influenza. 

Bronnen en verdere informatie

  • Ikenson, Ben. “Patenten: ingenieuze uitvindingen, hoe ze werken en hoe ze zijn ontstaan.” Running Press, 2012. 
  • Ngeow, Evelyn, ed. “Uitvinders en uitvindingen, deel 1.” New York: Marshall Cavendish, 2008. 

Cultuurondernemer Fred Fitz-James overleden aan gevolgen coronavirus

72-jarige leeftijd overleden. Fitz-James was ziek na een besmetting met het gevreesde coronavirus en is is aan de gevolgen daarvan overleden. Dat bevestigen zijn collega’s bij het Rotterdamse radiostation Stanvaste Radio.

De in Suriname geboren ‘Oom Fred’, zoals hij ook genoemd werd, was naast ondernemer in zijn bekende cultuurwinkel op de West-Kruiskade ook hoofdredacteur van Stanvaste. Collega’s reageerden vanmorgen verslagen op het nieuws.

“Hij was vorige week naar Groningen overgeplaatst dus we hebben geen afscheid kunnen nemen” aldus een collega tegenover onze redactie.

Daniël Yveraar: het verhaal van een bijzondere marron

Uit De Ware Tijd van 20/09/2020 19:59 – Tascha Aveloo  

In zijn jongste pennenvrucht schreef Franklin S. Jabini (l) over de veelzijdige Daniël Petrus Yveraar.

PARAMARIBO – Inmiddels weet docent, theoloog en schrijver Franklin Jabini bijna niet meer hoeveel boeken hij heeft geschreven. “Het is een leuke verslaving”, vertelt hij lachend, terwijl hij zijn nieuwste pennenvrucht laat zien. Het boek ‘Daniël Petrus Yveraar’ is ‘slechts’ 73 pagina’s dik en vertelt het verhaal van een bijzondere marron: de eerste gediplomeerde marrononderwijzer na de slavernij, die ook een talentvol musicus en een geestelijke was. 

“De naam klinkt inderdaad niet als een Saamaka nee. Hij is in 1848 geboren op Ganzee, Boven-Suriname. Een dorp dat ondergelopen is vanwege het stuwmeer. Hij kwam in 1863, net na de afschaffing van de slavernij, naar de stad. Hij woonde in bij Duitse zendelingen die hem de taal leerden en ook muziek. Hij werd de eerst opgeleide onderwijzer vanuit de marrongemeenschap”, vertelt Jabini.

Volgens de schrijver gaven marrons eerder wel les in het binnenland. Maar dat waren mensen die gewoon naar school waren geweest of les hadden gekregen van zendelingen en die dan in hun dorp lesgaven in simpel lezen en schrijven. Maar Yvelaar had het bekende vierderangsdiploma gehaald. Daarnaast heeft hij muziek geleerd. Hij componeerde en speelde diverse muziekinstrumenten. Hij had zelfs een groot koor van vijftig man te Ganzee.

Jabini herinnert zich een leuke anekdote over dat koor. “Yveraar had aangegeven dat hij met zijn koor naar de stad zou komen. Maar de zendelingen vonden dat hij niet moest komen ‘want deze mensen uit het binnenland zullen ze schande geven met hun koor’. Ze stuurden zelfs iemand om hem alsnog te stoppen. Maar de persoon kwam daar aan en maakte net de generale oefening mee. Hij was zodanig onder de indruk, dat hij de negatieve boodschap niet meer gaf.”

De zendelingen vroegen aan de teruggekomen boodschapper of het koor nou kwam of niet. Zijn boodschap was: ‘jullie zullen zien en horen’. Aangekomen in de stad, gaf het koor inderdaad een wervelend concert. De geproduceerde zang was van dusdanig buitengewoon goede kwaliteit – waarbij het koor onder meer het hele moeilijke ‘Halleluja’ van componist Handel zong – dat de gouverneur die er toen bij was, hen uitnodigde om ook voor hem te zingen. “Waarom ik dit zo bijzonder vind, is dat mensen soms zo neer kunnen kijken op anderen. Ze denken die jongens komen uit het binnenland ze kunnen niets doen. Maar Yveraar heeft laten zien dat je niet altijd moet luisteren naar wat men over je zegt. Je bent in staat veel meer te doen dan men denkt. Het is zelfs bekend dat een zendeling zei over Yveraar ‘deze wordt niets’. Maar hij heeft bewezen een buitengewone onderwijzer te zijn die in zijn dorp, de stad en zelfs in andere districten lesgaf. Hij gaf meer dan alleen reguliere les aan de kinderen. Hij gaf muziekles, hij was vaak ook buiten schooltijd bezig met hen. Hij heeft het fenomneeen schoolreis geïntroduceerd in de Ganzee gemeenschap. Hij vormde de jongeren echt.”

Hij was ook een geestelijke van de EBG. Hij begon als evangelist en werd later dominee. Hij was in die hoedanigheid vaak ook tegelijk onderwijzer op vele plaatsen. Yveraar was volgens Jabini een vurige predikant, omdat hij zelf een hele sterke radicale bekering meegemaakt heeft.” Jabini stuitte op de naam van deze man tijdens zijn groots onderzoek van de afgelopen 25 jaar voor zijn boek ‘Geschiedenis van het Christendom in Suriname’. Zijn verhaal was dusdanig boeiend dat hij besloot er een apart boek aan te wijden. Het afgelopen jaar heeft hij het onderzoek geïntensiveerd om het boek af te maken. “Het mooie ervan is; hij was Saramaccaner maar hij schreef in het Sranan, Duits en ook Nederlands. Er is zelfs een stuk van zijn hand verschenen in een internationaal blad over de Saamakataal en cultuur.”