Daniël Yveraar: het verhaal van een bijzondere marron

Uit De Ware Tijd van 20/09/2020 19:59 – Tascha Aveloo  

In zijn jongste pennenvrucht schreef Franklin S. Jabini (l) over de veelzijdige Daniël Petrus Yveraar.

PARAMARIBO – Inmiddels weet docent, theoloog en schrijver Franklin Jabini bijna niet meer hoeveel boeken hij heeft geschreven. “Het is een leuke verslaving”, vertelt hij lachend, terwijl hij zijn nieuwste pennenvrucht laat zien. Het boek ‘Daniël Petrus Yveraar’ is ‘slechts’ 73 pagina’s dik en vertelt het verhaal van een bijzondere marron: de eerste gediplomeerde marrononderwijzer na de slavernij, die ook een talentvol musicus en een geestelijke was. 

“De naam klinkt inderdaad niet als een Saamaka nee. Hij is in 1848 geboren op Ganzee, Boven-Suriname. Een dorp dat ondergelopen is vanwege het stuwmeer. Hij kwam in 1863, net na de afschaffing van de slavernij, naar de stad. Hij woonde in bij Duitse zendelingen die hem de taal leerden en ook muziek. Hij werd de eerst opgeleide onderwijzer vanuit de marrongemeenschap”, vertelt Jabini.

Volgens de schrijver gaven marrons eerder wel les in het binnenland. Maar dat waren mensen die gewoon naar school waren geweest of les hadden gekregen van zendelingen en die dan in hun dorp lesgaven in simpel lezen en schrijven. Maar Yvelaar had het bekende vierderangsdiploma gehaald. Daarnaast heeft hij muziek geleerd. Hij componeerde en speelde diverse muziekinstrumenten. Hij had zelfs een groot koor van vijftig man te Ganzee.

Jabini herinnert zich een leuke anekdote over dat koor. “Yveraar had aangegeven dat hij met zijn koor naar de stad zou komen. Maar de zendelingen vonden dat hij niet moest komen ‘want deze mensen uit het binnenland zullen ze schande geven met hun koor’. Ze stuurden zelfs iemand om hem alsnog te stoppen. Maar de persoon kwam daar aan en maakte net de generale oefening mee. Hij was zodanig onder de indruk, dat hij de negatieve boodschap niet meer gaf.”

De zendelingen vroegen aan de teruggekomen boodschapper of het koor nou kwam of niet. Zijn boodschap was: ‘jullie zullen zien en horen’. Aangekomen in de stad, gaf het koor inderdaad een wervelend concert. De geproduceerde zang was van dusdanig buitengewoon goede kwaliteit – waarbij het koor onder meer het hele moeilijke ‘Halleluja’ van componist Handel zong – dat de gouverneur die er toen bij was, hen uitnodigde om ook voor hem te zingen. “Waarom ik dit zo bijzonder vind, is dat mensen soms zo neer kunnen kijken op anderen. Ze denken die jongens komen uit het binnenland ze kunnen niets doen. Maar Yveraar heeft laten zien dat je niet altijd moet luisteren naar wat men over je zegt. Je bent in staat veel meer te doen dan men denkt. Het is zelfs bekend dat een zendeling zei over Yveraar ‘deze wordt niets’. Maar hij heeft bewezen een buitengewone onderwijzer te zijn die in zijn dorp, de stad en zelfs in andere districten lesgaf. Hij gaf meer dan alleen reguliere les aan de kinderen. Hij gaf muziekles, hij was vaak ook buiten schooltijd bezig met hen. Hij heeft het fenomneeen schoolreis geïntroduceerd in de Ganzee gemeenschap. Hij vormde de jongeren echt.”

Hij was ook een geestelijke van de EBG. Hij begon als evangelist en werd later dominee. Hij was in die hoedanigheid vaak ook tegelijk onderwijzer op vele plaatsen. Yveraar was volgens Jabini een vurige predikant, omdat hij zelf een hele sterke radicale bekering meegemaakt heeft.” Jabini stuitte op de naam van deze man tijdens zijn groots onderzoek van de afgelopen 25 jaar voor zijn boek ‘Geschiedenis van het Christendom in Suriname’. Zijn verhaal was dusdanig boeiend dat hij besloot er een apart boek aan te wijden. Het afgelopen jaar heeft hij het onderzoek geïntensiveerd om het boek af te maken. “Het mooie ervan is; hij was Saramaccaner maar hij schreef in het Sranan, Duits en ook Nederlands. Er is zelfs een stuk van zijn hand verschenen in een internationaal blad over de Saamakataal en cultuur.”

Our Community: Wanda Denz, Sabiman fu koto nanga angisa

Wanda Denz 13 Septembri 1925

Sabiman fu koto nanga angisa

Sensi di a ben abi neygi yari Wanda Henriëtte Denz ben e prey nanga leygi batra di a ben e teki leki popki na en prasi. Dan a ben weri koto nanga angisa gi den.

Baka a Bigi Bakra Feti (1939-1945) en wroko leki sabiman fu koto nanga angisatori bigin waka. Heri kondre kon sabi taki a sabi tay angisa ala sortu fasi, taki a e weri koto nanga ala en pranpran gi sma. Fu di a sabi so furu, te na a dey fu tide, sma e go teki ray na en te den wani orga fesa, noso kotodansi efu presi pe koto nanga angisa nanga ala den sani fu den de fu si. 

Misi Wanda Denz e prodo nanga angisa nanga koto leki wan pisi fu a Afrikan Sranan gudu san den afo fu afo libi na baka gi un. Fu dati-ede un musu hori en na hey, kraka a pisi gudu disi. Fu dati-ede misi Wanda Denz e feti doronomo fu koto nanga angisa kisi den presi baka. Na a yari 1969 a wini a strey weri koto show di masra Harold Braam ben orga. 

Sisa Wanda bigin nanga a singi- nanga dansigrupu “Opera”. A grupu disi abi feyfitenti yari kba. Awinsi pe den e go, awansi sortu konmakandra, den e weri angisa. Na friyari-oso nanga fu go prodo nanga koto gi sma, den e weri bigi koto nanga ala en pranpran.

Groot kenner van koto en angisa

Wanda Henriëtte Denz speelde als meisje van negen jaar met flessen die ze gebruikte als alternatieve poppen en vervolgens aankleedde met verschillende koto en angisa. Na de Tweede Wereldoorlog (1939-1945) begon haar carrière als koto- en angisakenner. Ze werd zeer bekend om de verschillende bindwijzen van hoofddoeken en het kleden van vrouwen in vol ornaat koto. In 1969 won ze de eerste prijs in een kotowedstrijd, georganiseerd door Harold Braam. Ze wordt nog steeds geraadpleegd bij feesten, kotodansi en tentoonstellingen en ze stelt altijd al haar kennis over angisa en koto ter beschikking van anderen, vooral van jongeren. De koto en angisa behoren volgens Denz tot de traditie en het erfgoed van onze voorouders en moeten gekoesterd worden. 

Daarom doet ze er alles aan om koto en angisa te promoten en ze hun plaats in de kledingtraditie van de Afro-Surinaamse vrouw te laten heroveren. 

Wanda Denz is medeoprichter en erevoorzitter van de vereniging Opera, die al ruim 50 jaar bestaat en stimuleert dat haar leden altijd een angisa op hebben en op jaardagen in bigi koto gekleed zijn.

Copyright@NAKS ICONENKALENDER 2018

Our Community : Nene’s creative mind

Dichtkunst. Een hobby, passie die ik, Nancy Lodik,  na ruim 20 jaar weer heb opgepakt. De grootste drijfveer is mijn innerlijke kracht die mij steeds dat stuwende gevoel gaf om weer bezig te zijn. Daarnaast ook vrienden en COVID-19.

Het laatste is voor elk van ons een persoonlijke uitdaging. Een van wat kan ik voor mezelf betekenen en anderen. Voor mij is het oppakken van mijn passie anderen bewust te laten maken van het belang van keuzes maken, zichzelf, hun innerlijke kracht en daaraan trouw te blijven. Hoe doe ik dat?

Ik heb mijn eigen facebookpagina opgezet Nene’s creative mind. Een onuitputtelijke bron van mijn eigen voordrachten en citaten waaruit je inspiratie en motivatie kunt putten om jezelf te zijn, jezelf te herwinnen en obstakels te overwinnen. Of genieten van mijn dichtkunst.

Klik op de link hieronder. Like, comment and share.
Nene’s Creative Mind

Our History: Charles Drew: Inventor of the Blood Bank

At a time when millions of soldiers were dying on battlefields across Europe, the invention of Dr. Charles R. Drew saved countless lives. Drew realized that separating and freezing the component parts of blood would enable it to be safely reconstituted later. This technique led to the development of the blood bank.

Charles Drew was born on June 3, 1904 in Washington, D.C. Drew excelled in academics and sports during his graduate studies at Amherst College in Massachusetts. He was also an honor student at McGill University Medical School in Montreal, where he specialized in physiological anatomy.​

Charles Drew researched blood plasma and transfusions in New York City where he became a Doctor of Medical Science and the first African-American to do so at Columbia University. There he made his discoveries relating to the preservation of blood. By separating the liquid red blood cells from the near solid plasma and freezing the two separately, he found that blood could be preserved and reconstituted at a later date.

Blood Banks and World War II

Charles Drew’s system for the storing of blood plasma (blood bank) revolutionized the medical profession. Dr. Drew was chosen to set up a system for storing blood and for its transfusion, a project nicknamed “Blood for Britain.” This prototypical blood bank collected blood from 15,000 people for soldiers and civilians in World War II Britain and paved the way for the American Red Cross blood bank, of which he was the first director. In 1941, the American Red Cross decided to set up blood donor stations to collect plasma for the U.S. armed forces.

After the War

In 1941, Drew was named an examiner on the American Board of Surgeons, the first African-American to do so. After the war, Charles Drew took up the Chair of Surgery at Howard University in Washington, D.C. He received the Spingarn Medal in 1944 for his contributions to medical science. In 1950, Charles Drew died from injuries suffered in a car accident in North Carolina—he was only 46 years old. Unfounded rumor had it that Drew was ironically denied a blood transfusion at the North Carolina hospital because of his race, but this wasn’t true. Drew’s injuries were so severe that the life-saving technique he invented could not have saved his own life.

OUR STORY: ANNA M. MANGIN (13 years): INVENTED THE PASTRY FORK IN 1891

 
For all those who love baking, but want the tasks to be made as easy as possible, you have Anna M. Mangin to thank for her ability to foresee your needs. The young African American woman invented the pastry fork in 1891.
The utensil was used to mix dough for pie crusts, cookies, butter and flour pastries without needing to physically manipulate the ingredients with one’s hands. However, the fork was also used to beat eggs, mashed potatoes, and prepare salad dressings. Anna M. Mangin was awarded a patent on March 1, 1892, for the pastry fork for mixing pastry dough.

Met een studiebeurs naar het buitenland?

Je wilt verder #studeren, maar het liefst in het #buitenland. Dan komt er heel veel bijkijken. Denk aan het vinden van een goede #opleiding of #universiteit, een passende #studiebeurs en daartussen heb je het vele #papierwerk en misschien nog aanvullende #testen om te kunnen voldoen aan alle #voorwaarden. Wel, wij hebben de deskundigheid in huis. Connect with us for #IMPCAT!

 

 

De Kom na 86 jaar op bestsellerlijst

De Kom na 86 jaar op bestsellerlijst

Antikoloniale roman Met dank aan de Canon van Nederland en het debat over racisme wordt de roman Wij slaven van Suriname goed verkocht.

Toef Jaeger, NRC, 16 juli 2020

Bron: www.nrc.nl/nieuws

Anton de Koms Wij slaven van Suriname staat, 86 jaar na verschijning, op de bestsellerslijst. Wekelijks geeft de CPNB aan welke zestig boeken de afgelopen week het vaakst werden verkocht. Over het algemeen zijn dat thrillers, voetbalbiografieën, levensverbeterboeken en Lucinda Riley. Woensdag werd bekend dat Wij slaven van Suriname, dat oorspronkelijk in 1934 verscheen, de lijst ‘binnenstormde’ op plek dertig.

Lees ook:Plaats voor Anton de Kom in Nederlandse canon is ‘stap naar eerherstel’, zegt zijn zoon

De aanleiding dat het boek nu in de belangstelling staat, is De Koms recente opname in de herziene Canon van Nederland eind juni en het nationale racismedebat. De uitgever die de roman ook in 1934 uitgaf, kwam met een recente heruitgave, aangevuld met inleidingen van schrijfster Tessa Leuwsha, universitair docent Amerikaanse literatuur Duco van Oostrum en Mitchell Esajas, medeoprichter van The Black Archives.

De roman van de antikoloniale strijder, auteur en verzetsheld Anton de Kom (1898-1945) is een aanklacht tegen het koloniale systeem, wat je het ‘grote geld’ zou noemen, en machtsstructuren. Eigen ervaringen worden afgewisseld met geschiedenis en verhalen, een beetje zoals Multatuli deed in de Max Havelaar (1860) en Edgar du Perron in zijn roman Het land van herkomst (1935). Met het verschil dat Multatuli en Du Perron wel meteen in de literaire canon belandden en De Kom niet.

De Kom herschreef de geschiedenis van zijn vaderland „door de geschiedenis te herinterpreteren en te fictionaliseren vanuit het perspectief van de zwarte slaafgemaakten”, schrijft Van Oostrum.

„Geen volk kan tot volle wasdom komen, dat erfelijk met een minderwaardigheidsgevoel belast blijft”, zijn bekende regels uit Wij slaven van Suriname.

Wat hij te zeggen heeft in zijn roman gaat nog steeds op, laat Leuwsha in haar inleiding zien. „Het werk van De Kom is een tirade tegen de nuchtere handelsgeest, de gruttersmentaliteit, waarmee een land en volk werden uitgeknepen. Het is geen mooi verhaal, maar het is wel ons gezamenlijke verhaal.” Ze trekt daarop een parallel met het heden: „de opmars van rechtse leiders in de wereld is voor een belangrijk deel op dat wij-zij denken gebaseerd”.

Esajas’ inleiding sluit daarbij aan: „Er zijn nog witte mensen die, wellicht onbewust, gevoelens van superioriteit met zich meedragen. Dit uit zich onder meer in de felheid en de agressie waarmee de sinterklaastraditie wordt verdedigd, symbolen van de koloniale verhoudingen waar De Kom tegen streed. Maar ook in het institutionele racisme waar vele zwarte mensen en mensen van kleur mee te kampen hebben.”

Een voorloper van deze krant komt er overigens niet goed van af wanneer De Kom uitlegt hoe de Nederlandse overheid in 1933 geen ‘verlies’ wil maken op Suriname: „Dat een Surinamer omkomt, daarvan zal het Handelsblad zich niet veel aantrekken, als hij maar bereid is op een koopje om te komen. Deze bereidheid echter […] begint in Suriname te verdwijnen. Sranang mijn vaderland.” Hij hoopte zijn land weer te zien „op de dag waarop alle ellende” weggewist zou zijn. Zover kwam het niet: De Kom werd in 1945 in concentratiekamp Neuengamme vermoord.

Anton de Kom: Wij slaven van Suriname. Atlas Contact, € 20,00

 

Our Community: Aan de poort bij Georgine Breeveld

Een productie van STVS, waarbij we mogen aanschouwen hoe Koto-kenner mw Breeveld, de presentatrice Gail Eijck aankleed.

Our History: Emma Lashley, apotheker te Paramaribo (1909-1993).

Bron: https://bukubooks.wordpress.com/2020/07/14/lashley/

Gegevens, betreffende de Geschiedenis der Pharmacie in Suriname. Emma A.C. Lashley, apotheker te Paramaribo (1940).

De Surinaamse geschiedenis zit boordevol met interessante verhalen. Een groot deel van die verhalen blijven niet bewaard voor het nageslacht, simpelweg omdat ze nooit zijn opgeschreven. Vooral als het gaat om de rol van Surinaamse vrouwen in de geschiedenis is er sprake van een grote blinde vlek. Goed om eens één van die belangrijke maar onzichtbare Surinaamse vrouwen aan de vergetelheid te onttrekken.

Apotheker Emma Lashley (midden), tweede van rechts: Irene Nurmohamed gehuwd Slamat, de namen van de andere dames zijn mij helaas onbekend.

Emma Amy Clementina Lashley werd geboren op 12 september 1909 in het district Nickerie in Suriname, als dochter van Gerredina Johanna Cornelia Samuel (1876-1933) en Francis O’Neil Lashley (1872-1940). Zij was de achtste van in totaal elf kinderen. Haar vader werd kort na het afschaffen van de slavernij geboren en heeft  totdat hij volwassen was op de plantage Paradise gewoond. Deze was eigendom van Anthony Dessé. Hij heette Francis Leetz, maar heeft later de naam Lashley, de naam van zijn vader, aangenomen. Die kwam uit Barbados. Daarna is hij als Francis Oneil Lashley door het leven gegaan. Hij is in de balatahandel terechtgekomen en vergaarde daarmee zijn fortuin. Door onvoorziene omstandigheden raakte hij helaas het geld ook weer kwijt.

Emma Lashley heeft op de Emmaschool gezeten (lagere school) en heeft daarna de Hendrikschool doorlopen. Ze was een uitermate begaafde leerlinge, we zouden nu zeggen hoogbegaafd. Op de Hendrikschool bleek ze te goed voor de eerste klas en mocht ze het in de tweede proberen. Na het examen  heeft ze werk gevonden in een apotheek en is toen de apothekersassistenten opleiding gaan volgen. Daarna werd ze toegelaten tot de apothekersopleiding. Het begin van deze opleiding liep gelijk met de artsenopleiding. Hierdoor kende zij veel latere artsen goed. Ze waren tenslotte studiegenoten.

Emmaschool Paramaribo, ca. 1915

Emma Lashley wilde graag toxicoloog worden en in het buitenland gaan studeren net zoals haar oudere broers en zus, maar tegen de tijd dat zij aan de beurt was, was er niet genoeg geld daarvoor. De jongere kinderen zijn gaan werken om de studie van de toen nog studerende oudere kinderen, te betalen.

Ze begon te werken bij Apotheek Drachten aan de Steenbakkerijstraat tegenover de Grote Kerk. Als apotheker-assistente  werkte ze bij Apotheek La Fuenta. Bij apotheek Samson in de Herenstraat liep ze stage. Ook werkte ze bij Apotheek Engelbrecht onder apotheker Essed in de Steenbakkerijstraat, tegenover Kersten. Ze heeft als provisor in een apotheek gewerkt, totdat de erven besloten die te verkopen. Dat werd de eerste apotheek van Emma Lashley, in de Noorderkerkstraat. De apotheek aan de Watermolenstraat is in  1940 geopend.

Behalve haar werk als apotheker heeft Lashley ook les gegeven op de Hendrikschool in de vakken Natuurkunde en Scheikunde, daarnaast gaf ze onderwijs aan apothekers-assistenten in opleiding. Ze was een wetenschapper met speciale belangstelling voor inheemse planten en kruiden (en natuurlijk hun medicinale werking). In haar vrije tijd was ze ook vaak in de tuin te vinden, een grote hobby van haar.

Haar bevlogenheid bleek ook in het maatschappelijk werk dat Lashley verrichtte. Zo was ze voorzitter van de Vereniging van Apothekers. Ook was ze een tijdje adviseur van de Staten van Suriname op het gebied van de farmacie. Met regelmaat stuurde ze ingezonden stukken naar kranten en tijdschriften in binnen- en buitenland om haar mening te ventileren. Ze zette zich ook in voor SOS Kinderdorpen en anderen die het op de één of andere manier minder hadden. Ze bezocht vaak ouderen op Lantigron en later in bejaardentehuizen. Dat Lashley zeer sociaal bewogen was wordt ook bevestigd door mijn eigen tante, Friede Blom (1941), die als vrijwilliger bij haar in de apotheek werkte: “Zij gaf me altijd 25 gulden. Als er iets niet goed ging dan schreef ze dat op een briefje. Ze had altijd iets liefs of iets leuks. En je kreeg altijd een glas stroop. Ze had ook een dochter, Sila.”

In 1975 sloeg het noodlot toe. Door een grote brand gingen Hotel Lashley, de daaronder gevestigde tandartsenpraktijk van tandarts Lashley én de apotheek Lashley in vlammen op. Emma Lashley was toen 65 jaar oud. Ze ging toen als apotheker werken in het St. Vincentiusziekenhuis. Ook nam zij zitting in het bestuur van het ziekenhuis.

Emma Lashley

Maar op deze plek proberen we Emma Lashley ook dankzij haar bijzonder interessante publicatie, over de geschiedenis van de farmacie in Suriname, een plekje in de geschiedschrijving te geven.

De eerste apothekers in Suriname, zo schrijft Lashley, kwamen in 1678 mee met Johannes Heinsius die tot gouverneur van Suriname was benoemd. Zij moeten werkzaam zijn geweest in het gasthuis van Paramaribo. Suriname was nog maar net onder Nederlands bestuur gekomen en bestond toen uit 27 of 28 huizen, vooral herbergen en ´smokkelaarskroegen´, afgezien dan van de twee of drie huizen van officieren. Er waren geen wettelijke bepalingen waaraan artsen en apothekers moest voldoen. Dat resulteerde in veel misstanden. Pas in 1767 bepaalde gouverneur Wigbold Crommelin in 1767 dat niemand als heelmeester in Suriname werkzaam mocht zijn zonder examen te hebben afgelegd.

In 1782 werd het Collegium Medicum opgericht onder het bewind van gouverneur Texier. Alle praktiserende artsen, chirurgijns, apothekers en vroedvrouwen moesten aan dit college hun diploma’s, getuigschriften of ‘leerbrieven’ overleggen en er ingeschreven worden. Dit Collegium Medicum bepaalde ook hoe de apotheken ingericht moesten worden. Samengestelde geneesmiddelen moesten steeds op voorraad gehouden worden. Recepten waarop vergif voorkwam mochten alleen door apothekers bereid worden en moesten in een afgesloten kast bewaard worden zodat de slaven er niet bij konden komen.

Niet alleen in de stad maar ook op de plantages waren apothekers gevestigd. Maar omdat veel medicijnen ondoelmatig werden bewaard en in papieren zakken verpakt, waren ze in veel gevallen binnen korte tijd onbruikbaar geworden. De behandeling en bereiding van medicijnen werd op de plantages meestal door ongekwalificeerde personen uitgevoerd dat er vaak vergiftigingen plaatsvonden.

Lashley schrijft ook over Bernard Peters, afkomstig uit het Duitse Bremen. Hij werd in 1793 in Amsterdam als apotheker aangenomen en naar Suriname gestuurd. Peters kreeg vier dukaten als handgeld. Hij moest voor een dienstverband van zes jaar tekenen en kreeg iedere twee maanden 24 gulden. Dat Peters beslist niet de enige Duitse apotheker die in Suriname werkzaam was mag blijken uit de lijst van apothekers die in 1793 aan de Garnizoensapotheek verbonden waren: Schaubach, Liebetag, Krunitz, Baufe en Blomke.

Voor de zorg voor de armen in Paramaribo werd de stad in 1911 in vier afdelingen opgedeeld. Voor iedere afdeling werden particuliere apothekers aangewezen. Dienstdoende apothekers waren A.M. Jesserun, A.Ph. Samson, G.T. May, A.J. Bueno de Mesquita, C.A. van Spall, M.J. de la Parra, A.L. Wesenhagen, W.P. Hering en mevr. Juda-Stolting.

Dat het vak van apotheker vooral een mannen-aangelegenheid was moge duidelijk zijn. Toen Emma Lashley in het huwelijk trad kreeg ze van haar bank, de HBU, te horen dat voortaan haar man moest tekenen voor alle zakelijke opdrachten. Zij was toen 43 jaar oud en had altijd zelf de beslissingen genomen en de bank opdrachten verstrekt. Dit .liet ze niet op zich zitten en ze verhuisde haar bankrekeningen naar de Surinaamse Bank waar ze wel voor vol werd aangezien

De eerste Surinaamse vrouw die als apotheker in Suriname werd toegelaten was H.A. Gans (1883). De omstandigheden waarin Emma Lashley, gehuwd met Groeiliker, zich rond 1935 als apotheker vestigde zullen ook niet gemakkelijk zijn geweest. Lashley geeft in haar publicatie in het Pharmaceutisch Weekblad (no. 46 + 47, 1940) veel informatie die voor een bredere groep dan alleen apothekers interessant is.

Op 25 september 1993 overleed Emma Amy Clementina Groeiliker-Lashley op 84-jarige leeftijd in Paramaribo, apotheker én geschiedschrijver.

Carl Haarnack

Dit stuk had niet tot stand kunnen komen zonder de medewerking van Sila Groeiliker, dochter van Emma Lashley. Waarvoor hartelijk dank!

Bron: https://bukubooks.wordpress.com/2020/07/14/lashley/

 

Our History: Sarah Boone, inventor of the the ironing board

Sarah Boone (1832–1904)

Who Was Sarah Boone?

Born in 1832 in Craven County, North Carolina, Sarah Boone made her name by inventing the ironing board. Boone was a rarity during her time, a female African-American inventor. In her patent application, she wrote that the purpose of her invention was “to produce a cheap, simple, convenient and highly effective device, particularly adapted to be used in ironing the sleeves and bodies of ladies’ garments.” Prior to that time, most people ironed using a board of wood rested across a pair of chairs or tables. She was living in New Haven, Connecticut, when her patent was granted in 1892. She died in 1904.

Source: https://www.biography.com/inventor/sarah-boone