Roseline Daan nieuwe directeur Cultuur

Uit: Suriname Herald van 23 september 2020

Roseline Daan is de nieuwe directeur van het directoraat Cultuur, dat valt onder het ministerie van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur. Daan zwaait per vandaag de scepter op dit directoraat. Zij neemt het roer over van Elvira Sandie.

Roseline Daan, de nieuwe directeur van het directoraat Cultuur. Foto: CDS

Bij dit moment werd het personeel toegesproken door zowel minister Marie Levens als de nieuwbakken directeur. Met de aanstelling van Daan gaat het directoraat Cultuur een andere fase in. Het personeel is lange tijd in staking geweest vanwege een conflict met de vorige leiding.

In haar toespraak benadrukte minister Levens het belang van cultuur. “In tijden van verdriet helpt cultuur”, zei de bewindsvrouw. “Ik vergeet nooit dat tijdens een paar donkere dagen in de jaren tachtig, het cultuur was die ons op de been heeft geholpen. Het was het gezang, het gebed, de koren en de kunst die ons gedwongen hebben om tot een natie te komen.” Minister Levens heeft een goed gesprek gehad met de scheidende directeur Sandie, die zij bedankte voor het geleverde werk.

“Er wordt gezegd dat dit directoraat een moeilijk directoraat is. Ik geloof dat niet. Er is voor alles een oplossing als we naar elkaar luisteren en met elkaar afstemmen”, hield nieuwbakken directeur Daan het personeel voor. De nieuwe leidinggevende heeft laten weten dat zij altijd een luisterend oor heeft voor het personeel. “Als jullie iets met mij willen bespreken, loop mij tegemoet en wij praten erover. Wij gaan dit beleid uitvoeren in overleg met elkaar. Niemand is elkaars meerdere. Gelijkwaardigheid en respect zijn twee belangrijke zaken. Wil je gerespecteerd worden, dan moet je dat ook eerst hebben voor een ander.”

De boodschap van Daan naar haar personeel toe was duidelijk: “Kom niet aan het werk om die stoel warm te houden, kom aan het werk om te werken. Ga er niet vanuit dat jouw bijdrage te klein is. Elke bijdrage is van belang en wordt van harte verwelkomd.”

Het directoraat beschikt over personeel dat veel weet over cultuur en genoeg ervaring heeft. Met de nieuwe directeur heeft de minister afgesproken dat er naar hen geluisterd moet worden. “Zij kunnen ons helpen richting geven welke kant de cultuur op moet gaan.”

 

Geen sinterklaasviering meer op Curaçao

Uit: Suriname Herald van 20 september 2020

Mensen demonstreren tijdens de sinterklaasintocht op Curaçao. Foto: Dick Drayer

Het doek lijkt nu definitief gevallen voor de nationale sinterklaasviering op Curaçao. De overheid in Willemstad heeft besloten niet langer subsidie te verstrekken aan eventueel nieuwe organisatoren van het kinderfeest. In april had de vaste organisator al laten weten geen intocht meer te organiseren.

In ieder geval kan de Curaçaose overheid het sinterklaasfeest in de huidige vorm niet steunen, “omdat mensen van kleur en Afrikaanse afkomst zich gediscrimineerd voelen”, zo staat te lezen in een persverklaring.

Nationaal kinderfeest
In overleg met verschillende organisaties wordt nu gewerkt aan een nieuw concept voor een nationaal kinderfeest dat bij voorkeur rond de internationale Dag van het Kind, op 20 november, georganiseerd wordt. Aan het alternatief voor Sinterklaas moeten volgens de persverklaring in ieder geval alle kinderen kunnen deelnemen, onafhankelijk van hun ras, geloof of afkomst.

Sinds eind jaren 60 is er zo af en toe protest geweest tegen het ‘koloniale feest’ op Curaçao. Vorig jaar werd dat nieuw leven ingeblazen door de in Nederland opgerichte actiegroep Kick Out Zwarte Piet. De demonstranten eisten toen niet alleen de afschaffing van Zwarte Piet, maar ook van Sinterklaas.

Sociologisch onderzoek invloed kaseko- en kabulamuziek op seksualiteit

Uit De Ware Tijd van 20/09/2020 12:06 – Tascha Aveloo

PARAMARIBO – ‘De invloed van kaseko- en kabulamuziek met betrekking tot seksuele perecepties en gedragingen van Afro-Surinaamse en marronjongeren’ is de titel van het ruim zeventig pagina’s tellende onderzoeksrapport dat Mariëlle Te Vrede succesvol verdedigde. Ze is afgestudeerd aan de bacheloropleiding sociologie van de Anton de Kom Universiteit van Suriname. 

Te Vrede was eerst twee jaar rechtenstudent voordat ze overstapte naar sociologie. Haar keus viel op sociologie omdat zij dat vak op de middelbare school al leuk vond. “Ik wilde er meer over weten. Carla Bakboord, die mijn thesis medebeoordeelde, heeft mij ook gemotiveerd om voor de studie te kiezen. Wij musiceerden enkele jaren terug samen in een orkest. Zij gaf aan dat muziek een deel is van cultuur en dat ik die twee – muziek en onderzoek – kon samenvoegen tijdens mijn studie. Het was echt een leerrijke ervaring.”

Te Vrede is blij met haar keuze omdat de opleiding haar veel inzichten heeft gegeven in mens en maatschappij. “Ik kon bepaalde patronen uit mijn opvoeding thuis en uit mijn persoonlijke situatie herkennen en veel beter begrijpen. Ik heb geleerd hoe verschillende omgevingen invloed kunnen hebben op de mens, hoe mensen samenleven, hoe normen en waarden ontstaan en nog zoveel meer.”

Haar eerste onderzoeksidee was om na te gaan in hoeverre Surinaamse muzikanten vreemdgaan. Tijdens het brainstromen met haar docent tevens thesisbegeleider Helmut Gezius, maakte dit idee plaats voor het onderzoek naar handelingen binnen de kaseko- en kabulamuziekwereld. “Ik kon mij herinneren dat ik als jong meisje toen niet begreep waarover het lied ‘Boeke’ van Aptijt ging. Uit persoonlijke observatie blijkt dat jongeren vaker middels de media worden blootgesteld aan seksualiteit. Wat gaat er om in de jongeren als ze de seksueel getinte kaseko- en kabulaliederen beluisteren en de video’s bekijken? Luisteren zij eerder naar de tekst of audio? Zijn zij zich bewust van de seksuele inhoud? Zo ja, wat is de reden dat zij blijven luisteren naar en dansen op de muziek?”

Er zijn ook veel meningen over kinderen en jongeren die dansen op en luisteren naar seksueel getinte kaseko- en kabulamuziek. Er is weinig over dit onderwerp geschreven en ook weinig onderzoek verricht in Suriname. Met haar onderzoek wilde zij meer duidelijke informatie over dit thema. Het idee werd direct goedgekeurd waarna zij aan de slag ging. Het veldonderzoek heeft drie maanden geduurd met gebruik van de kwalitatieve onderzoeksmethode. Dat houdt in dat zij de meningen, ervaringen, belevingen en percepties van haar onderzoeksdeelnemers wilde achterhalen over kaseko- en kabulamuziek. Naast het stellen van vragen heeft zij vier liederen met haar onderzoeksdeelnemers beluisterd en een video met ze bekeken. “Daarover mochten zij hun mening geven en ze vertelden ook over hun interpretatie van de teksten.”

Te Vrede interviewde tien Afro-Surinaamse en marronjongeren tussen zestien en 24 jaar. Daarnaast sprak zij met Rudy Spa van muziekformatie Orchestra Alafa, Joey Lansdorf van Stichting Lobi, Siegmien Staphorst en Clifton Braam van Naks en de radio-omroepers Carlos Pinas van SRS en Quincy Bigiman van Radio Boskopu. “De boodschappen die de jongeren haalden uit de vier liederen waren: seksuele omgang, uitloperij, geslachtsdelen, relaties, orale seks, ‘vulgaire’ dansbewegingen (billen schudden, vooroverbukken waarbij een man achter de vrouw gaat staan) en vrouwen die seks hebben met mannen om geld te verdienen. Hieruit kunnen de jongeren geen positieve boodschappen halen.”

Volgens de jongeren waren er toch wel enkele positieve boodschappen in de kaseko- en kabulaliederen die zij beluisteren via de radio, televisie of sociale media. “Ze konden uit de liederen halen dat ze hun best moeten doen op school en in de maatschappij, dat het vooral volwassenen zijn die in odo praten, hoe een vrouw op een romantische manier te behandelen en dat zij moeten waken voor verkeerde vrienden.” De jongeren gaven aan deze positieve boodschappen mee te nemen en toe te passen in hun leven. “Zij zijn van mening dat veel kaseko- en kabulaliederen seksueel getint zijn en dat ze daarom eerder luisteren naar het ritme en niet zozeer naar de teksten. De muziek heeft een leuk en pakkend ritme waar zij gezellig op kunnen dansen. De jongeren bekijken de video’s nauwelijks, omdat er vaak alleen dames te zien zijn die dansend hun billen schudden. Zij vinden dat zij daaruit niets kunnen leren”, licht Te Vrede de antwoorden toe.

In de vier liederen wordt orale seks volgens de jongeren aangeduid als het zuigen van een lollipop en het eten van een boyo. Het geslachtsdeel van de man wordt in de vier liederen aangeduid als ‘Johannes de doper’ en ‘lollipop’. Het geslachtsdeel van de vrouw wordt aangeduid als ‘boyo, bolu, fowru, zoete poete’. Het woord ‘fowru’ kan ook ‘vrouw’ betekenen. Uit het onderzoek werd duidelijk dat er wel degelijk een mate van invloed is die voorkomt uit het luisteren naar deze muziek. “Een deelnemer neemt het ritme van de muziek mee tijdens de seksuele omgang in de slaapkamer. Dit doet hij om de relatie met zijn partner spannend te houden. Twee deelnemers gaven aan dat zij de woorden die in de teksten voorkomen soms gebruiken om met vrienden onderling grappen te maken. Een deelnemer geeft aan dat zij voor de gezelligheid meedoet met de handelingen die de zanger opdraagt aan het publiek tijdens een dansi. Deze handelingen doen de jongeren binnen hun persoonlijk gestelde grenzen. Bijvoorbeeld, het moet voor de deelnemer geen overdreven dans zijn zoals ‘het hoofd op de vloer en een voet in de lucht’. Daar zal zij niet aan meedoen.”

De jongeren gaven aan niet seksueel opgewonden te raken van de kaseko- en kabulaliederen. Zij geven aan dat zij hun eigen gedrag bepalen, niet de liederen. “Ze zijn wel van mening dat jongeren beneden achttien jaar die in de experimentele fase van seks zijn door onverantwoordelijkheid of door peer pressure de handelingen kunnen uitvoeren die zij in de liederen horen zoals orale seks of vreemdgaan.” Ondanks dat de jongeren zich bewust zijn van de seksualiteit die voorkomt in kaseko- en kabulaliederen, zullen zij blijven luisteren naar deze muziek. Het gaat echt om het leuke en pakkende ritme waar zij op kunnen dansen en van genieten. De liederen hebben geen invloed op de perceptie van de jongeren over seksualiteit, omdat seks heel ruw, grof, niet netjes en niet romantisch overgebracht wordt door de zangers in de liederen. “Volgens de jongeren is seks zielcontact en een liefdesuiting tussen twee mensen die in een relatie zijn en van elkaar houden. Seks betekent ook plezier en het verwerken van stress. De jongeren kunnen zich niet terugvinden in de teksten. Zij vinden de teksten vies en smerig.”

Scholarship voor Surinaamse studenten

Een Creoolse vrouw met een Chinees en een Hindostaans kind in Suriname, tussen 1880 en 1900.

Interview ‘Daderschap was niet voorbehouden aan witte mensen’

Bron: https://www.nrc.nl/nieuws/2020/07/23/daderschap-was-niet-voorbehouden-aan-witte-mensen-a4006833

Tessa Leuwsha | Surinaams-Nederlandse schrijver

Nederland heeft een vertekend beeld van de landen waar slavernij en kolonialisme plaatsvonden, zegt schrijver Tessa Leuwsha.

Nina Jurna, 23 juli 2020

De Surinaams-Nederlandse schrijver Tessa Leuwsha (52) juicht het toe dat het slavernijverleden eindelijk op de agenda staat. Maar, zegt de schrijfster die al 25 jaar in Suriname woont, de discussie in Nederland dreigt te verzanden in een narratief van ‘slachtoffer en dader’, met de nadruk op het leed dat is aangedaan.

In haar nieuwste roman Plantage Wildlust schrijft Leuwsha dat de koloniale geschiedenis in Suriname niet alleen zwart-wit is, maar juist ook vele grijstinten kent. „Ik wilde laten zien dat binnen het koloniale systeem van onderdrukking, zoiets als daderschap en macht, niet slechts was voorbehouden aan witte mensen. Er bestond namelijk niet één werkelijkheid.”

Foto by Sirano Zalman

 

CV TESSA LEUWSHA

Tessa Leuwsha (Amsterdam, 1967) is schrijver en documentairemaker. Ook werkt ze bij de Nederlandse ambassade in Paramaribo als cultureel attaché. Haar debuutroman de Parbo-blues (2005) is een gefictionaliseerde biografie van haar Surinaamse vader die als immigrant naar Nederland kwam.

Ze woont en werkt sinds 1995 in Suriname, is getrouwd en heeft twee kinderen.

Leuwsha spreekt via Zoom in een voor Suriname historische week. Een nazaat van Indiase contractarbeiders, Chan Santokhi, en een nazaat van gevluchte plantageslaven, Ronnie Brunswijk, zijn tot president en vicepresident benoemd. De nieuwste roman van Tessa Leuwsha speelt zich af in de tijd van contractarbeid, toen de voorouders van Santokhi, geronselde Indiase contractarbeiders, na de slavernij op de plantages terechtkwamen. „Die groep werd ook uitgebuit en mishandeld op de plantages. Ze moesten werken voor een hongerloon. En de marrons [nakomelingen van gevluchte slaven], de groep waartoe Brunswijk behoort, was lange tijd een van de meest gediscrimineerde en achtergestelde groepen in Suriname, terwijl ze eigenlijk de helden van de geschiedenis zijn omdat ze de plantages ontvluchtten”, vertelt Leuwsha.

Opo yu kloru is voorbij

Ze ging in 1995 in Suriname wonen en zag hoe het land de afgelopen jaren veranderde. „Toen ik er net woonde, gold nog de slogan opo yu kloru: verhoog je kleur. Oftewel, hoe lichter je was, hoe beter, én hoe meer kansen je had. Maar het land heeft grote sprongen in zelfbewustzijn gemaakt. Dat er nu een coalitie is gevormd uit nazaten van slaven, marrons en contractarbeiders, met als doel Suriname vooruit te brengen, is uniek. Dit was in de tijd rond de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 ondenkbaar.”

In Plantage Wildlust vertrekt begin twintigste eeuw een jong Nederlands echtpaar uit Zeeland naar Suriname om het beheer over een plantage over te nemen. De slavernij is voorbij, maar de naweeën zijn nog voelbaar. De zwarte, op macht beluste plantageopzichter Creebsburg is een nazaat van tot slaaf gemaakten. Hij onderdrukt de Indiase contractarbeiders die nu in de slavenbarakken wonen en werken op de plantage. Het Nederlandse stel raakt verstrikt in een moeras van strikte machtsverhoudingen, waaraan ze uiteindelijk zelf ten onder gaan. Gelijkwaardige vriendschappen, zoals de Nederlandse directeursvrouw Janna die probeert aan te knopen met haar dienstmeisje Alma, zijn onmogelijk.

„Ik wilde laten zien dat zowel wit, zwart en alles wat ertussenin zat, slachtoffer kon worden van zo’n systeem. En wie dader en wie slachtoffer was, niet zo eenduidig is als vaak gedacht wordt.” Het boek is gebaseerd op een archief van de Nederlandse familie Janssen, die meerdere generaties het beheer voerde over plantage Peperpot.

Compleet gemengde samenleving

Suriname heeft zich na drie eeuwen van slavernij en kolonialisme geëvolueerd wat het thema van slavernij betreft, vertelt de schrijfster. Dat in tegenstelling tot Nederland, zegt ze, waar slavernij tot voor kort verdoezeld werd en nauwelijks in het onderwijs behandeld wordt. „Ik merk dat de blik in Suriname veel meer vooruit gericht is, waarbij de nadruk ook ligt op het zoeken naar verbinding met elkaar. We hebben hier geen debatten over kleur of identiteit. De tegenstellingen in Suriname bestaan nauwelijks meer, dit is een multi-etnisch en multireligieus land.”

Verschillende bevolkingsgroepen knopen al lang relaties aan met elkaar. „Deze samenleving is compleet gemengd. De zoektocht naar het eigene van Surinamers heeft al lang plaatsgevonden, met name voorafgaand en rondom de onafhankelijkheid.”

Daar komt bij, zegt ze, dat in Suriname veel andere – urgente – problemen aandacht vragen, zoals de gezondheidszorg en de economische crisis.

Speelt in Suriname de discussie over racisme of de Black Lives Matter-protesten dan helemaal niet?

„Kijk, Suriname is geen witte dominante samenleving zoals de Nederlandse, waar institutioneel racisme bestaat. Ik woon in een land waar vrijwel iedereen zwart of gekleurd is. Natuurlijk zijn hier ook vormen van uitsluiting. Iedere samenleving voert uiteindelijk een eigen klassenstrijd. Maar in Nederland wordt vaak teruggekeken naar de slavernijgeschiedenis waarbij je een witte en zwarte kant hebt, die in hun eigen loopgraven vastzitten. Terwijl de werkelijkheid is dat iedereen in dat onderdrukkende systeem ook probeerde een eigen voordeel te halen.

„Ik wil niet ontkennen dat de grote pijnlijke waarheid tussen wit en zwart bestaat, maar ik wil de aandacht vestigen op de waarheden die er ook zijn. In Suriname waren plantages die opgekocht werden door nazaten van slaven.

Er waren zwarte slavenhouders zoals Elisabeth Samson, en zwarte vrijheidsstrijders die in verzet kwamen tegen de slavernij zoals Boni. Witte planters verwekten kinderen bij slavinnen, er waren heel veel kleurlingen. Je kunt elkaar moeilijk dingen blijven verwijten als je grotendeels zelf het bloed hebt van degene die je iets kwalijk neemt.”

Tessa Leuwsha schrijft al vijftien jaar romans over thema’s als slavernij, kolonialisme, identiteit en zwart-witverhoudingen. In 2005 debuteerde ze met de Parbo-Blues, een roman gebaseerd op het verhaal van haar Surinaamse vader. In het boek Fansi’s stilte onderzocht ze de geschiedenis van haar Surinaamse oma en haar roots. „Ik ben al heel lang met dit thema bezig en denk dat ik daardoor ook een stuk verder ben in het analyseren en nadenken hierover. Ik ben nu veel meer geïnteresseerd in de krachtige zwarte personages, want verzet en veerkracht zijn er altijd geweest.”

Dat ziet ze ook terug bij mensen in Suriname, zegt Leuwsha. „Ik herken hen vaak niet in het beeld dat in Nederland wordt geschetst van Surinamers als pure slachtoffers van slavernij en kolonialisme. Ondanks de heftige geschiedenis en de vele economische en politieke crises waar Suriname doorheen is gegaan, is het geen terneergeslagen land of volk.”

Er heerst een vertekend beeld in Nederland?

„Ik denk dat meer gekeken moet worden naar de herkomstlanden, waar de slavernij en kolonialisme daadwerkelijk plaatsvonden. Hoe gaan die landen nu om met hun geschiedenis? Kijk naar Indonesië. Ik was daar in 2015. Er is nog weinig dat aan Nederland doet denken, het land bestond al voordat de Nederlanders kwamen en heeft zich geëvolueerd in een nieuwe identiteit, los van het leed. Dat koning Willem-Alexander dan komt om excuses te maken, is mooi, maar dat is niet waar de meeste Indonesiërs op zitten te wachten: ze zijn met hun toekomst bezig.

Zelf kijkt ze ook vooruit. Producent Emjay Rechsteiner van Staccato Films kocht de filmrechten van Plantage Wildlust. „Ik vind dat een kroon op mijn werk. Maar ook extra bijzonder, omdat Emjay afstamt van Nederlandse plantagehouders die hier in Suriname plantages en slaven hadden, en ik een nazaat ben van tot slaaf gemaakten. We maken gezamenlijk een verbinding van dit verhaal. Ik hoop dat Nederland uiteindelijk ook de sprong vooruit maakt. Nu is vastgesteld dat er slavernij was en er niets meer te verdoezelen is, kan een heldere blik op de herkomstlanden misschien helpen bij het verruimen van het beeld dat in Nederland heerst.”

 

COLUMN: Howpu

Uit: De Ware Tijd 23/07/2020 14:00 – Pokay Tongo

Sensi presidenti Chan Santokhi nanga en kompe Ronnie Brunswijk teki abra, wan wortu p’sa omeni hondro leysi: Howpu! Na wan prakseri san e gi wi a bribi taki un d’a libi ete, dati w’e bro. Bro gi na kondre san wi lobi so nanga un heri ati. Sowan wan gi den libi srefi fu sori grontapu o bigi den lobi de gi Sranan. Mi n’e go so fara bika mi wani syi san wi meki fu na kondre. Ma a no a fosi leysi di w’e yere a prakseri fu howpu. Fu den fotentinafeyfi yari nanga den neygi presidenti un syi bun nanga ogri, ma howpu ben de tu. 1975, 1980, 1987, 1991, 1996, 2000, 2005, 2010. Soso ini 2015 un lasi bribi.

A wiki di p’sa mi ben gi Ronnie Brunswijk grani fu di a ben taki en eygi mamatongo. Poti, mi du dati ini Ptatatongo. Wan sma aksi ensrefi fu san ede mi no kebroyki a Sranantongo. We dan, mi kan taygi en, a no a fosi leysi mi e skrifi ini wi eygi tongo. Sonwan feni dati a skrifi a no wan makriki tori fu leysi noso grabu a boskopu. Dan mi e krasi mi baka-ede, aksi mi srefi fa dati kan. W’e taki a tongo, a winsi na af’afu, fa leysi e meki un beti un tongo? M’a bun. Te yu wani leri, yu abi fu skoro yu srefi. Bigin bay wan wortubuku.

Presidenti Santokhi diki kon miti wan tu soro di Bouta libi gi en na baka. So wan fu den no sa betre so esi ini den feyfi yari d’e kon. Fu dati ede feyfi yari syatu. Ibri nyun fesiman di teki kondremakti abra, no e denki p’sa den feyfi yari disi. Ma den mofo e taki trafasi. “Na gi den pikin nanga granpikin di d’a pasi e kon”, den e taki. Ma na ley den e ley bika den e denki fu den srefi fosi. Den e luku san den kan meki fu den srefi ini na syatu pis’ten dati d’e frigiti san den ben pramisi wi di den ben begi wi fu unu sten.

Efu yu no luku bun, so wan fu den soro de so dipi, na koti w’wan Santokhi o abi fu koti den, fu a skin kon betre. Ma a no sa malengri wi. Nofo fu den soro san kweki kon, no ben de fanowdu. Teki a bigi pasi fu eksempre. Bouta ben kan gi tra prenspari wroko a moni so dati un ben kan abi wan moro steyfi gron na ondro un futu. Skoro fu eksempre. A moro bunkopu fasi fu yepi potiwan fu yepi densrefi. No gi den fisi, leri den fu uku.

Ma kon mi taygi unu dati a no moni nanga wan tru ekonomiya w’wan un mankeri. Te un luku fa un tyari un srefi te nanga now, dan w’e syi bigi ay, dyarusu. Bun nanga ogri meki mati tron feyanti. Na a k’ba fu a rigeri di Bouta k’ba rigeri wi syi fa den man seti den srefi. Dyari, gron nanga oso prati, oto seri bunkopu, kompyuter no de fu feni, sturu no de (na tapu gron den ben sidon?), grofu pay e p’sa te mun tapu. Fa wan man di ala den tin yari taki fa a lobi unu (a winsi un no ben lob’en), kan hori un yeye so na spotu? A ben taki leki sma ben tay wis’man n’a t’tey. Dati na wan leri san un no musu fu frigiti. Mi b’o fen’en dyadya fu en efu den payman disi nanga den kado ben kemopo na ini en eygi saka.

Wan tu sani musu de krin. A ten d’e kon un wani sabi san Chan Santokhi wani nanga a kondre. San a wani nanga Ptata. A no san Ptata wani nanga Sranan. A sa musu kapu wan pasi opo, koti wan lin san wi leki libimakandra sa musu waka. Te na ten wi sa syi efu a lin e waka nanga reti. Wi abi fu har’en na en yesi efu a wani teki wan boropasi. Wi abi fu skreki en wiki efu a de fu fadon na sribi. Bari fu howpu nomo no sari. Den fotentinafeyfi yari di de na un baka sori dati mati nanga kompe fu politiki tyari unu go na ini wan swampu nanga bun furu birbiri. A famiriman wisi fu Paul Somohardjo nanga en manpikin Bronto na wan tori san kan sungu unu. Bronto no abi no wan enkri frantwortu noso ondrofeni fu tyari wan boto. Dan fa y’o lon wan her’ ministeriya?

Efu yu no man swen, kayman o nyan yu ondropasi noso a faya son o kiri yu. Wan moro betre skoro Bouta no gi wi fa kondre no e seti. Ini takru ten y’e kisi nyun ideya. Ma wan sani un no musu frigiti, na dati Sranan n’e keba abra feyfi yari. Abra feyfi yari na wan tra bigin fu wan moro betre ten. A no howpu wawan e tyari kenki. Teki yu tyapu, srapu yu owru noso yu ede fu walamala kan nyan wan moro betre tamara. A bigin na tide.

taknangami@live.nl

‘Plantage Wildlust’ wordt verfilmd

PARAMARIBO – De filmrechten van het boek ‘Plantage Wildlust’ van schrijfster Tessa Leuwsha zijn opgekocht door het Nederlands filmproductiebedrijf Staccato Films. Het boek, dat op 5 juni uitkwam, maakte een dusdanige indruk op filmproducent Emjay Rechsteiner, dat hij er een speelfilm van wil maken. 

Voor Leuwsha is het een ware bekroning, dat een filmproducent belangstelling heeft om het verhaal te verfilmen, zo kort na het uitgeven van haar boek. “Een bloedmooi verhaal dat alle dramatische elementen bevat. Het verhaal behandelt een periode; van de contractarbeid na de afschaffing van de slavernij, die nog niet of nauwelijks op film is vastgelegd”, deelt Rechsteiner de Ware Tijd mee.

De filmproducent leerde de auteur kennen tijdens het maken van haar korte documentaire ‘Frits de Gids’ tijdens een filmworkshop van The Backlot. Door The Backlot werd hij als uitvoerend producent aangetrokken om de verschillende documentaires te begeleiden. De auteur en de filmproducent leerden elkaar beter kennen en zij merkte zijn passie voor Suriname op. “Hij vertelde, dat hij een nazaat is van plantagehouders in Suriname”, zegt Leuwsha.

Zijn familie kwam uit Veenland, die onder meer aandelen had in plantage Timotibo, waar de bekende achttiende-eeuwse kruidenkenner en natuurgenezer Kwasi, een zoutwaterslaaf, vandaan kwam. “De voormoeder van Emjay woonde op Timotibo in dezelfde tijd toen Kwasie daar nog een slaaf was”, vervolgt Leuwsha.

Rechsteiner is naast filmproducent historicus en het is meer om zijn laatste functie dat Leuwsha hem in de laatste fase van haar boek benaderde, om met “zijn frisse blik” de tekst te lezen.”Hij raakte meteen geboeid door het verhaal, want toen het boek uitkwam, schafte hij er direct één aan. Vervolgens stuurde hij mij een mail, waarin hij aangaf, dat hij wil proberen om de verhaallijn te verfilmen. Het feit dat een ervaren producent ermee aan de slag gaat, is fantastisch”, zegt de enthousiaste auteur.

Het boek gaat over een stel, met grote dromen en idealen, dat naar Suriname afreist. Oscar wil graag een leidinggevende positie op een plantage en zijn vrouw wil een school beginnen voor de kinderen van de contractarbeiders. Leuwsha: “Mijn boek gaat over het feit dat je niet altijd krijgt wat je wil en dat je met die realiteit zal moeten leren omgaan.”

Oscar is een zachtaardige directeur, maar door het koloniale systeem moeten zij hun weg zien te vinden. Het blijkt al gauw dat ze toch niet zo nobel zijn. “Met inlevingsgevoel wilde ik schetsen dat mensen niet altijd met wrede gedachten in zo’n systeem terechtkomen, maar dat ze meegesleurd worden”, zegt de auteur.

Ze volgt verschillende personages voor het verhaal in het boek, zoals de huishoudster en de zwarte opzichter. Leuwsha zal niet de scenarioschrijver zijn voor de film. “Ik heb het zelf al druk met andere projecten en vind het beter dat iemand, die een frisse kijk op zaken heeft het verhaal voor de film schrijft”, zegt ze.

Rechsteiner is vaker naar Suriname gekomen voor onder meer de lancering van de gerestaureerde versie van de film ‘Wan Pipel’ en is internationaal bekend. Hij produceerde of coproduceerde zestien bekroonde speelfilms, acht bioscoopdocumentaires, twee prijswinnende educatieve films, talloze commercials en een recordalbum. Eén van de bekendste films is ‘The Devil’s Double’,waaraan hij samen met ‘James Bond’-regisseur Lee Tamahori, heeft gewerkt. Daarvoor was er een budget van zestien miljoen euro, het internationaal verkooprecord voor een Benelux-productie, beschikbaar gesteld.

De filmmaker prijst Leuwsha om haar empathisch vermogen. “Ze leeft mee met haar karakters; zowel in een documentaire als in fictie, die op feiten gebaseerd is”, zegt hij. Met het opkopen van de filmrechten gaat de filmproducent op zoek naar financiën om de film te kunnen maken.

Uit : De Ware Tijd, 19 juli 2020

Zunder: Excuses en Reparaties slavernij onlosmakelijk

Bron: Starnieuws, 12 Jun, 02:04
Midden in de crisis die door de corona-pandemie is veroorzaakt, maakte de Gemeente Amsterdam medio maart bekend dat de festiviteiten rond de 1 juli herdenking in het Amsterdamse Oosterpark dit jaar om de ‘social distancing’ geen doorgang zullen vinden. Enige dagen daarna volgde een bekendmaking die verdergaande gevolgen zou hebben. De excuses voor het Amsterdamse slavernijverleden die sedert vorig jaar gepland waren om op 1 juli 2020 te worden aangeboden, zijn verschoven naar 1 juli 2021.
Van recentere datum is de motie die het PvdD-lid in de Eerste Kamer, Professor Mr. Peter Nicolai, op 10 maart in de Eerste Kamer heeft ingediend. Het doel van deze motie is om bij wet vast te leggen dat slavenhandel en slavernij als onderdeel van het racisme, het zich superieur voelen van de gekoloniseerde volkeren zaken zijn die in het verleden hebben plaatsgevonden, misdaden tegen de menselijkheid zijn. Verder pleit hij voor de oprichting en instandhouding van een Nationaal Monument Slavernijverleden, een Kennisinstituut over Slavernijactiviteiten en een Slavernijmuseum die in de wet moeten worden gegarandeerd. Ook heeft hij de minister van Justitie en Veiligheid gevraagd om uiterlijk binnen twee maanden aan de Kamer te rapporteren. Nicolai wenst op 30 juni, de dag voor de herdenking van het Nederlandse slavernijverleden de motie in de Eerste kamer goedgekeurd te krijgen.
 
Het besluit van de Gemeente Amsterdam voor excuses
Voor de Nationale Reparatie Commissie Suriname, NRCS, roept het besluit van de gemeente Amsterdam sedert de aankondiging in 2019 talrijke vragen op.
1. Waarvoor precies (op basis van welk dossier) wenst de Gemeente Amsterdam excuses aan te bieden voor haar betrokkenheid bij de slavenhandel en slavernij in Suriname;
2. Aan wie worden de excuses aangeboden en hoe is de formulering;
3. Waar, op welke locatie, wenst de gemeente de excuses aan te bieden;
4. Wat is het natraject;
5. Is de gemeente Amsterdam wel de meest geschikte partij om excuses voor het Nederlandse slavernijverleden aan te bieden. Waarom niet de Nederlandse regering, of een andere Nederlandse autoriteit;
6. Waarom worden de excuses slechts geconcentreerd op de Afrikanen en hun nazaten en niet ook op de Inheemsen, die door de Nederlandse kolonialisten in eigen land tot slaaf zijn gemaakt en vervolgens op uiteenlopende manieren zijn gemarginaliseerd? Waarom worden de misdaden die tegen de contractarbeiders in de koloniale tijd zijn gepleegd niet in de drang naar het aanbieden van excuses meegenomen;
7. Welke instantie is de officiële partij aan wie de gemeente Amsterdam denkt om de excuses aan te bieden. Deze partij moet ook bereid zijn om de excuses te aanvaarden namens de groep of groepen van personen om wie het gaat.
De opinie van de NRCS is dat de Nederlandse koning Willem-Alexander de excuses in Suriname vanaf het bordes van het Presidentieel Paleis namens de Nederlandse regering moet aanbieden. Bovendien moeten de excuses gepaard gaan met een programma voor reparaties. Het Caricom Tien Punten Programma voor Reparaties, dat mede door de voorzitter van de NRCS in Caribisch verband tot stand is gekomen, zou model kunnen staan voor het reparatieprogramma dat met de excuses gepaard moet gaan.
De motie 
Ook bij de bestudering van de motie van de hoogleraar valt op dat hij zich wenst te concentreren op het geweten en gemoed van de Nederlanders. Daar kan niemand bezwaar tegen hebben. De slavernij, de slavenhandel en de driehoekshandel hebben echter in Suriname en niet in Nederland plaatsgevonden. De miljarden opbrengsten uit deze afschuwelijke handelssoorten zijn gedurende eeuwen wel naar Nederland gestroomd en zijn daar geïnvesteerd, hebben werkgelegenheid gecreëerd en hebben innovaties in uiteenlopende verwerkingsindustriëen tot stand doen komen.
In diezelfde periode is er door Nederlandse koopliedenbankiers en Nederlandse regeringen nauwelijks in de kolonie Suriname geïnvesteerd. Bovendien zijn de gevolgen van het Nederlandse kolonialisme op uiteenlopende gebieden nog duidelijk zichtbaar in allerhande achterstanden in het culturele, psychologische en sociaal-economisch leven in Suriname.
Het is daarom aan te bevelen dat de professor zich niet slechts beperkt tot een aantal tastbare zaken die in een wet moeten worden opgenomen, maar serieuzer en vanuit een breder internationaal perspectief met deze materie omgaat.
Onder serieuzer verstaan wij van de NRCS dat het de professor zou sieren om overeenkomstig de ‘Durban Declaratie’ van 2001 in de wet voor te stellen dat de Nederlandse regering naast excuses voor haar afschuwelijke slavernijverleden ook komt met een programma voor reparaties. Ook in deze casus kan het Tien Punten Reparaties Programma van de Caricom als voorbeeld dienen.
Huiswerk voor Suriname 
In het Caribisch gebied, in diverse Zuid-Amerikaanse en Afrikaanse landen, in India, Europa en de Verenigde Staten is de gedachte van reparaties voor het slavernijverleden en/of het koloniaal verleden en de hedendaagse gevolgen daarvan al goed op gang gekomen. Opmerkelijk was de resolutie van het Europese Parlement van 19 maart 2019 met tal van aanbevelingen op het gebied van genoegdoening voor het Europese slavernijverleden.
Zo langzamerhand begint het er op te lijken dat gezagdragers en NGO’s in Nederland met het Landelijk Platform Nederlands Slavernijverleden met Dr. Barryl Biekman aan het hoofd, voor wat het slavernijverleden en genoegdoening daarvoor enkele stappen vooruit lopen dan hun Surinaamse collega’s. De kloof kan en zou op korte termijn moeten worden ingelopen, aangezien de wandaden in de koloniale tijd in Suriname hebben plaatsgevonden.
Zeven leden uit De Nationale Assemblee van de coalitie en de oppositie zouden hiervoor met een initiatiefwet moeten komen die ingaat op het vraagstuk van slavenhandel, slavernij en contractarbeid in de koloniale tijd. Als genoegdoening hiervoor zouden excuses en reparaties van de Nederlandse en Engelse regering moeten worden geëist voor hun afschuwelijk koloniaal verleden en de gevolgen daarvan. Suriname hoeft hiervoor het wiel niet opnieuw uit te vinden, omdat Jamaica deze weg al enkele jaren geleden heeft gevolgd. Ook het buurland Guyana heeft overigens nog recent een ‘Reparations Law’ voortgebracht.
Het wordt zo langzamerhand ook in Suriname tijd hiervoor!
 
Namens het Bestuur van de NRCS, 
Armand Zunder,
Voorzitter  

Tessa Leuwsha beschrijft beslommeringen op plantage Wildlust

 

DWT Online 21/05/2020 Audry Wajwakana

PARAMARIBO – Mensen gaan vaak met de beste bedoelingen een nieuwe uitdaging aan, maar als de realiteit anders is, moeten ze ook daarmee dealen. Dit overkomt de Nederlander Oscar Brouwer die in het begin van de twintigste eeuw een nieuwe start als plantagedirecteur wilde maken op plantage Wildlust.
De slavernij is voorbij en er zijn contractarbeiders aangetrokken voor het plukken van de koffiebessen. De zachtaardige man en zijn vrouw moeten hun weg zien te vinden in het (wrede) koloniale systeem. Met inlevingsgevoel schetst auteur Tessa Leuwsha in haar nieuwste pennenvrucht ‘Plantage Wildlust’ dat mensen zonder het te willen kunnen worden meegesleurd in een systeem, waar ze eigenlijk tegen zijn. ‘Plantage Wildlust’ is het vierde literaire werk van de auteur en wordt officieel op 5 juni uitgebracht.

De inspiratie voor dit verhaal vond ze in het archief van de familie Janssen, die voor ongeveer 75 jaar plantage Peperpot beheerde. “Van deze familie mocht ik talloze brieven en foto’s vanaf negentienhonderd tot ver in de twintigste eeuw doornemen, die mij een familie lieten zien die heeft geploeterd. Maar ik kreeg een eenzijdig beeld geschetst. Ik realiseerde mij dat de geschiedenis veel nuances en facetten kent en besloot een verhaal te vertellen waaruit blijkt hoe mensen op een plantage tot elkaar veroordeeld waren. Ze zaten letterlijk vast op die plantage, als in een kookoven en konden er niet uit. Dit gold voor de contractarbeiders, de huishoudsters, de opzichter en ook de plantagedirecteur met zijn gezin”, zegt Leuwsha.

In het boek heeft ze elk personage beschreven, dat een rol op de plantage speelde, om zo een breder beeld te creëren over het leven in een koloniaal systeem. “Het verhaal gaat niet over de familie Janssen uit Peperpot”, benadrukt de auteur. Met dit boek wil ze een inkijk geven in de persoonlijke verhalen van alle individuen op de plantage. Toen ze
bezig was met het archiefonderzoek wist ze eerst niet wat ze met de gegevens moest. Pas later besloot ze er een roman van te maken, gebaseerd op feiten. “Een roman geeft mij als schrijver de vrijheid om verhalen van personages op een plantage te vertellen.”

‘Plantage Wildlust’ gaat ook over de schoonheid van de prachtige natuur, de rivier en de woeste kust en de schoonheid van ontluikende vriendschappen tussen mensen aan beide kanten van het systeem. “De geschiedenis was niet alleen wit-zwart; haat en liefde lagen soms dichtbij elkaar. Met dat gegeven heb ik een spannend en aangrijpend verhaal willen maken”, zegt Leuwsha. Het verbaasde de auteur hoe gemakkelijk mensen in de negentiende en twintigste eeuw grote besluiten namen om naar Suriname of Nederlands-Indië te emigreren vanuit persoonlijke overwegingen, zonder dat zij een idee hadden wat hen daar te wachten stond.

“Vrijwel niemand vroeg zich af: wat hebben we daar te zoeken? Hoe verhoudt mijn aanwezigheid zich tot de mensen die er al wonen? Ben ik geschikt om mensen onder de duim te houden? Kan ik er aarden? Dit verklaart misschien ook de extreme wreedheid bij Nederlandse slavenhouders die je nu nog uit vonnissen van die tijd kunt lezen, maar ook later ten tijde van contractarbeid. Ik zie er frustratie in over de eigen teleurstellingen en beperkingen. Je zat daar, je kon niet terug. Er was alleen maar die oogst en die handel; weinig wat de ziel streelde”, zegt de auteur.
De schrijfster heeft een foto uit het familiearchief als voorkaft gebruikt, die ze koos om de verschillende contrasten te kunnen laten zien. Een zwarte huishoudster zonder schoeisel, die blanke kinderen met schoeisel liefdevol vasthoudt en een Hindostaanse man ernaast, die in het verhaal een bijzondere rol vervult. Leuwsha: “Die foto laat de verschillende etniciteiten zien en het verschil in status. Een huishoudster had een betere status dan een arbeider die in het veld werkte. De witte kinderen hadden het veel beter, maar zaten ook op die plantage, waar ze dagelijks met elkaar te maken hadden op een plek waar voortdurend opstanden dreigden.”

De auteur presenteert het boek na afloop van de tweejaarlijkse Cola Debrot-lezing die zij dit jaar verzorgt. De lezing wordt georganiseerd door de Werkgroep Caraïbische Letteren in samenwerking met de Openbare Bibliotheek Amsterdam (OBA). Doordat er vanwege de Covid-19-pandemie geen fysieke aanwezigheid zal zijn, is er een onlineversie gemaakt. Aansluitend op de lezing vindt de boekpresentatie plaats, waarbij Leuwsha geïnterviewd zal worden.

10 jaar Koto Museum

Angisa van Chayenne is speciaal voor tante Christine gemaakt met angisa’s van 10 jaar Koto Museum, angidamodel creatie van Stuard Krenten genaamd Yongu Uma. De generatie die dit erfgoed zal blijven uitdragen.