Roseline Daan nieuwe directeur Cultuur

Uit: Suriname Herald van 23 september 2020

Roseline Daan is de nieuwe directeur van het directoraat Cultuur, dat valt onder het ministerie van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur. Daan zwaait per vandaag de scepter op dit directoraat. Zij neemt het roer over van Elvira Sandie.

Roseline Daan, de nieuwe directeur van het directoraat Cultuur. Foto: CDS

Bij dit moment werd het personeel toegesproken door zowel minister Marie Levens als de nieuwbakken directeur. Met de aanstelling van Daan gaat het directoraat Cultuur een andere fase in. Het personeel is lange tijd in staking geweest vanwege een conflict met de vorige leiding.

In haar toespraak benadrukte minister Levens het belang van cultuur. “In tijden van verdriet helpt cultuur”, zei de bewindsvrouw. “Ik vergeet nooit dat tijdens een paar donkere dagen in de jaren tachtig, het cultuur was die ons op de been heeft geholpen. Het was het gezang, het gebed, de koren en de kunst die ons gedwongen hebben om tot een natie te komen.” Minister Levens heeft een goed gesprek gehad met de scheidende directeur Sandie, die zij bedankte voor het geleverde werk.

“Er wordt gezegd dat dit directoraat een moeilijk directoraat is. Ik geloof dat niet. Er is voor alles een oplossing als we naar elkaar luisteren en met elkaar afstemmen”, hield nieuwbakken directeur Daan het personeel voor. De nieuwe leidinggevende heeft laten weten dat zij altijd een luisterend oor heeft voor het personeel. “Als jullie iets met mij willen bespreken, loop mij tegemoet en wij praten erover. Wij gaan dit beleid uitvoeren in overleg met elkaar. Niemand is elkaars meerdere. Gelijkwaardigheid en respect zijn twee belangrijke zaken. Wil je gerespecteerd worden, dan moet je dat ook eerst hebben voor een ander.”

De boodschap van Daan naar haar personeel toe was duidelijk: “Kom niet aan het werk om die stoel warm te houden, kom aan het werk om te werken. Ga er niet vanuit dat jouw bijdrage te klein is. Elke bijdrage is van belang en wordt van harte verwelkomd.”

Het directoraat beschikt over personeel dat veel weet over cultuur en genoeg ervaring heeft. Met de nieuwe directeur heeft de minister afgesproken dat er naar hen geluisterd moet worden. “Zij kunnen ons helpen richting geven welke kant de cultuur op moet gaan.”

 

Geen sinterklaasviering meer op Curaçao

Uit: Suriname Herald van 20 september 2020

Mensen demonstreren tijdens de sinterklaasintocht op Curaçao. Foto: Dick Drayer

Het doek lijkt nu definitief gevallen voor de nationale sinterklaasviering op Curaçao. De overheid in Willemstad heeft besloten niet langer subsidie te verstrekken aan eventueel nieuwe organisatoren van het kinderfeest. In april had de vaste organisator al laten weten geen intocht meer te organiseren.

In ieder geval kan de Curaçaose overheid het sinterklaasfeest in de huidige vorm niet steunen, “omdat mensen van kleur en Afrikaanse afkomst zich gediscrimineerd voelen”, zo staat te lezen in een persverklaring.

Nationaal kinderfeest
In overleg met verschillende organisaties wordt nu gewerkt aan een nieuw concept voor een nationaal kinderfeest dat bij voorkeur rond de internationale Dag van het Kind, op 20 november, georganiseerd wordt. Aan het alternatief voor Sinterklaas moeten volgens de persverklaring in ieder geval alle kinderen kunnen deelnemen, onafhankelijk van hun ras, geloof of afkomst.

Sinds eind jaren 60 is er zo af en toe protest geweest tegen het ‘koloniale feest’ op Curaçao. Vorig jaar werd dat nieuw leven ingeblazen door de in Nederland opgerichte actiegroep Kick Out Zwarte Piet. De demonstranten eisten toen niet alleen de afschaffing van Zwarte Piet, maar ook van Sinterklaas.

Sociologisch onderzoek invloed kaseko- en kabulamuziek op seksualiteit

Uit De Ware Tijd van 20/09/2020 12:06 – Tascha Aveloo

PARAMARIBO – ‘De invloed van kaseko- en kabulamuziek met betrekking tot seksuele perecepties en gedragingen van Afro-Surinaamse en marronjongeren’ is de titel van het ruim zeventig pagina’s tellende onderzoeksrapport dat Mariëlle Te Vrede succesvol verdedigde. Ze is afgestudeerd aan de bacheloropleiding sociologie van de Anton de Kom Universiteit van Suriname. 

Te Vrede was eerst twee jaar rechtenstudent voordat ze overstapte naar sociologie. Haar keus viel op sociologie omdat zij dat vak op de middelbare school al leuk vond. “Ik wilde er meer over weten. Carla Bakboord, die mijn thesis medebeoordeelde, heeft mij ook gemotiveerd om voor de studie te kiezen. Wij musiceerden enkele jaren terug samen in een orkest. Zij gaf aan dat muziek een deel is van cultuur en dat ik die twee – muziek en onderzoek – kon samenvoegen tijdens mijn studie. Het was echt een leerrijke ervaring.”

Te Vrede is blij met haar keuze omdat de opleiding haar veel inzichten heeft gegeven in mens en maatschappij. “Ik kon bepaalde patronen uit mijn opvoeding thuis en uit mijn persoonlijke situatie herkennen en veel beter begrijpen. Ik heb geleerd hoe verschillende omgevingen invloed kunnen hebben op de mens, hoe mensen samenleven, hoe normen en waarden ontstaan en nog zoveel meer.”

Haar eerste onderzoeksidee was om na te gaan in hoeverre Surinaamse muzikanten vreemdgaan. Tijdens het brainstromen met haar docent tevens thesisbegeleider Helmut Gezius, maakte dit idee plaats voor het onderzoek naar handelingen binnen de kaseko- en kabulamuziekwereld. “Ik kon mij herinneren dat ik als jong meisje toen niet begreep waarover het lied ‘Boeke’ van Aptijt ging. Uit persoonlijke observatie blijkt dat jongeren vaker middels de media worden blootgesteld aan seksualiteit. Wat gaat er om in de jongeren als ze de seksueel getinte kaseko- en kabulaliederen beluisteren en de video’s bekijken? Luisteren zij eerder naar de tekst of audio? Zijn zij zich bewust van de seksuele inhoud? Zo ja, wat is de reden dat zij blijven luisteren naar en dansen op de muziek?”

Er zijn ook veel meningen over kinderen en jongeren die dansen op en luisteren naar seksueel getinte kaseko- en kabulamuziek. Er is weinig over dit onderwerp geschreven en ook weinig onderzoek verricht in Suriname. Met haar onderzoek wilde zij meer duidelijke informatie over dit thema. Het idee werd direct goedgekeurd waarna zij aan de slag ging. Het veldonderzoek heeft drie maanden geduurd met gebruik van de kwalitatieve onderzoeksmethode. Dat houdt in dat zij de meningen, ervaringen, belevingen en percepties van haar onderzoeksdeelnemers wilde achterhalen over kaseko- en kabulamuziek. Naast het stellen van vragen heeft zij vier liederen met haar onderzoeksdeelnemers beluisterd en een video met ze bekeken. “Daarover mochten zij hun mening geven en ze vertelden ook over hun interpretatie van de teksten.”

Te Vrede interviewde tien Afro-Surinaamse en marronjongeren tussen zestien en 24 jaar. Daarnaast sprak zij met Rudy Spa van muziekformatie Orchestra Alafa, Joey Lansdorf van Stichting Lobi, Siegmien Staphorst en Clifton Braam van Naks en de radio-omroepers Carlos Pinas van SRS en Quincy Bigiman van Radio Boskopu. “De boodschappen die de jongeren haalden uit de vier liederen waren: seksuele omgang, uitloperij, geslachtsdelen, relaties, orale seks, ‘vulgaire’ dansbewegingen (billen schudden, vooroverbukken waarbij een man achter de vrouw gaat staan) en vrouwen die seks hebben met mannen om geld te verdienen. Hieruit kunnen de jongeren geen positieve boodschappen halen.”

Volgens de jongeren waren er toch wel enkele positieve boodschappen in de kaseko- en kabulaliederen die zij beluisteren via de radio, televisie of sociale media. “Ze konden uit de liederen halen dat ze hun best moeten doen op school en in de maatschappij, dat het vooral volwassenen zijn die in odo praten, hoe een vrouw op een romantische manier te behandelen en dat zij moeten waken voor verkeerde vrienden.” De jongeren gaven aan deze positieve boodschappen mee te nemen en toe te passen in hun leven. “Zij zijn van mening dat veel kaseko- en kabulaliederen seksueel getint zijn en dat ze daarom eerder luisteren naar het ritme en niet zozeer naar de teksten. De muziek heeft een leuk en pakkend ritme waar zij gezellig op kunnen dansen. De jongeren bekijken de video’s nauwelijks, omdat er vaak alleen dames te zien zijn die dansend hun billen schudden. Zij vinden dat zij daaruit niets kunnen leren”, licht Te Vrede de antwoorden toe.

In de vier liederen wordt orale seks volgens de jongeren aangeduid als het zuigen van een lollipop en het eten van een boyo. Het geslachtsdeel van de man wordt in de vier liederen aangeduid als ‘Johannes de doper’ en ‘lollipop’. Het geslachtsdeel van de vrouw wordt aangeduid als ‘boyo, bolu, fowru, zoete poete’. Het woord ‘fowru’ kan ook ‘vrouw’ betekenen. Uit het onderzoek werd duidelijk dat er wel degelijk een mate van invloed is die voorkomt uit het luisteren naar deze muziek. “Een deelnemer neemt het ritme van de muziek mee tijdens de seksuele omgang in de slaapkamer. Dit doet hij om de relatie met zijn partner spannend te houden. Twee deelnemers gaven aan dat zij de woorden die in de teksten voorkomen soms gebruiken om met vrienden onderling grappen te maken. Een deelnemer geeft aan dat zij voor de gezelligheid meedoet met de handelingen die de zanger opdraagt aan het publiek tijdens een dansi. Deze handelingen doen de jongeren binnen hun persoonlijk gestelde grenzen. Bijvoorbeeld, het moet voor de deelnemer geen overdreven dans zijn zoals ‘het hoofd op de vloer en een voet in de lucht’. Daar zal zij niet aan meedoen.”

De jongeren gaven aan niet seksueel opgewonden te raken van de kaseko- en kabulaliederen. Zij geven aan dat zij hun eigen gedrag bepalen, niet de liederen. “Ze zijn wel van mening dat jongeren beneden achttien jaar die in de experimentele fase van seks zijn door onverantwoordelijkheid of door peer pressure de handelingen kunnen uitvoeren die zij in de liederen horen zoals orale seks of vreemdgaan.” Ondanks dat de jongeren zich bewust zijn van de seksualiteit die voorkomt in kaseko- en kabulaliederen, zullen zij blijven luisteren naar deze muziek. Het gaat echt om het leuke en pakkende ritme waar zij op kunnen dansen en van genieten. De liederen hebben geen invloed op de perceptie van de jongeren over seksualiteit, omdat seks heel ruw, grof, niet netjes en niet romantisch overgebracht wordt door de zangers in de liederen. “Volgens de jongeren is seks zielcontact en een liefdesuiting tussen twee mensen die in een relatie zijn en van elkaar houden. Seks betekent ook plezier en het verwerken van stress. De jongeren kunnen zich niet terugvinden in de teksten. Zij vinden de teksten vies en smerig.”

Daniël Yveraar: het verhaal van een bijzondere marron

Uit De Ware Tijd van 20/09/2020 19:59 – Tascha Aveloo  

In zijn jongste pennenvrucht schreef Franklin S. Jabini (l) over de veelzijdige Daniël Petrus Yveraar.

PARAMARIBO – Inmiddels weet docent, theoloog en schrijver Franklin Jabini bijna niet meer hoeveel boeken hij heeft geschreven. “Het is een leuke verslaving”, vertelt hij lachend, terwijl hij zijn nieuwste pennenvrucht laat zien. Het boek ‘Daniël Petrus Yveraar’ is ‘slechts’ 73 pagina’s dik en vertelt het verhaal van een bijzondere marron: de eerste gediplomeerde marrononderwijzer na de slavernij, die ook een talentvol musicus en een geestelijke was. 

“De naam klinkt inderdaad niet als een Saamaka nee. Hij is in 1848 geboren op Ganzee, Boven-Suriname. Een dorp dat ondergelopen is vanwege het stuwmeer. Hij kwam in 1863, net na de afschaffing van de slavernij, naar de stad. Hij woonde in bij Duitse zendelingen die hem de taal leerden en ook muziek. Hij werd de eerst opgeleide onderwijzer vanuit de marrongemeenschap”, vertelt Jabini.

Volgens de schrijver gaven marrons eerder wel les in het binnenland. Maar dat waren mensen die gewoon naar school waren geweest of les hadden gekregen van zendelingen en die dan in hun dorp lesgaven in simpel lezen en schrijven. Maar Yvelaar had het bekende vierderangsdiploma gehaald. Daarnaast heeft hij muziek geleerd. Hij componeerde en speelde diverse muziekinstrumenten. Hij had zelfs een groot koor van vijftig man te Ganzee.

Jabini herinnert zich een leuke anekdote over dat koor. “Yveraar had aangegeven dat hij met zijn koor naar de stad zou komen. Maar de zendelingen vonden dat hij niet moest komen ‘want deze mensen uit het binnenland zullen ze schande geven met hun koor’. Ze stuurden zelfs iemand om hem alsnog te stoppen. Maar de persoon kwam daar aan en maakte net de generale oefening mee. Hij was zodanig onder de indruk, dat hij de negatieve boodschap niet meer gaf.”

De zendelingen vroegen aan de teruggekomen boodschapper of het koor nou kwam of niet. Zijn boodschap was: ‘jullie zullen zien en horen’. Aangekomen in de stad, gaf het koor inderdaad een wervelend concert. De geproduceerde zang was van dusdanig buitengewoon goede kwaliteit – waarbij het koor onder meer het hele moeilijke ‘Halleluja’ van componist Handel zong – dat de gouverneur die er toen bij was, hen uitnodigde om ook voor hem te zingen. “Waarom ik dit zo bijzonder vind, is dat mensen soms zo neer kunnen kijken op anderen. Ze denken die jongens komen uit het binnenland ze kunnen niets doen. Maar Yveraar heeft laten zien dat je niet altijd moet luisteren naar wat men over je zegt. Je bent in staat veel meer te doen dan men denkt. Het is zelfs bekend dat een zendeling zei over Yveraar ‘deze wordt niets’. Maar hij heeft bewezen een buitengewone onderwijzer te zijn die in zijn dorp, de stad en zelfs in andere districten lesgaf. Hij gaf meer dan alleen reguliere les aan de kinderen. Hij gaf muziekles, hij was vaak ook buiten schooltijd bezig met hen. Hij heeft het fenomneeen schoolreis geïntroduceerd in de Ganzee gemeenschap. Hij vormde de jongeren echt.”

Hij was ook een geestelijke van de EBG. Hij begon als evangelist en werd later dominee. Hij was in die hoedanigheid vaak ook tegelijk onderwijzer op vele plaatsen. Yveraar was volgens Jabini een vurige predikant, omdat hij zelf een hele sterke radicale bekering meegemaakt heeft.” Jabini stuitte op de naam van deze man tijdens zijn groots onderzoek van de afgelopen 25 jaar voor zijn boek ‘Geschiedenis van het Christendom in Suriname’. Zijn verhaal was dusdanig boeiend dat hij besloot er een apart boek aan te wijden. Het afgelopen jaar heeft hij het onderzoek geïntensiveerd om het boek af te maken. “Het mooie ervan is; hij was Saramaccaner maar hij schreef in het Sranan, Duits en ook Nederlands. Er is zelfs een stuk van zijn hand verschenen in een internationaal blad over de Saamakataal en cultuur.”

Scholarship voor Surinaamse studenten

Our Community: Wanda Denz, Sabiman fu koto nanga angisa

Wanda Denz 13 Septembri 1925

Sabiman fu koto nanga angisa

Sensi di a ben abi neygi yari Wanda Henriëtte Denz ben e prey nanga leygi batra di a ben e teki leki popki na en prasi. Dan a ben weri koto nanga angisa gi den.

Baka a Bigi Bakra Feti (1939-1945) en wroko leki sabiman fu koto nanga angisatori bigin waka. Heri kondre kon sabi taki a sabi tay angisa ala sortu fasi, taki a e weri koto nanga ala en pranpran gi sma. Fu di a sabi so furu, te na a dey fu tide, sma e go teki ray na en te den wani orga fesa, noso kotodansi efu presi pe koto nanga angisa nanga ala den sani fu den de fu si. 

Misi Wanda Denz e prodo nanga angisa nanga koto leki wan pisi fu a Afrikan Sranan gudu san den afo fu afo libi na baka gi un. Fu dati-ede un musu hori en na hey, kraka a pisi gudu disi. Fu dati-ede misi Wanda Denz e feti doronomo fu koto nanga angisa kisi den presi baka. Na a yari 1969 a wini a strey weri koto show di masra Harold Braam ben orga. 

Sisa Wanda bigin nanga a singi- nanga dansigrupu “Opera”. A grupu disi abi feyfitenti yari kba. Awinsi pe den e go, awansi sortu konmakandra, den e weri angisa. Na friyari-oso nanga fu go prodo nanga koto gi sma, den e weri bigi koto nanga ala en pranpran.

Groot kenner van koto en angisa

Wanda Henriëtte Denz speelde als meisje van negen jaar met flessen die ze gebruikte als alternatieve poppen en vervolgens aankleedde met verschillende koto en angisa. Na de Tweede Wereldoorlog (1939-1945) begon haar carrière als koto- en angisakenner. Ze werd zeer bekend om de verschillende bindwijzen van hoofddoeken en het kleden van vrouwen in vol ornaat koto. In 1969 won ze de eerste prijs in een kotowedstrijd, georganiseerd door Harold Braam. Ze wordt nog steeds geraadpleegd bij feesten, kotodansi en tentoonstellingen en ze stelt altijd al haar kennis over angisa en koto ter beschikking van anderen, vooral van jongeren. De koto en angisa behoren volgens Denz tot de traditie en het erfgoed van onze voorouders en moeten gekoesterd worden. 

Daarom doet ze er alles aan om koto en angisa te promoten en ze hun plaats in de kledingtraditie van de Afro-Surinaamse vrouw te laten heroveren. 

Wanda Denz is medeoprichter en erevoorzitter van de vereniging Opera, die al ruim 50 jaar bestaat en stimuleert dat haar leden altijd een angisa op hebben en op jaardagen in bigi koto gekleed zijn.

Copyright@NAKS ICONENKALENDER 2018

Our Community : Nene’s creative mind

Dichtkunst. Een hobby, passie die ik, Nancy Lodik,  na ruim 20 jaar weer heb opgepakt. De grootste drijfveer is mijn innerlijke kracht die mij steeds dat stuwende gevoel gaf om weer bezig te zijn. Daarnaast ook vrienden en COVID-19.

Het laatste is voor elk van ons een persoonlijke uitdaging. Een van wat kan ik voor mezelf betekenen en anderen. Voor mij is het oppakken van mijn passie anderen bewust te laten maken van het belang van keuzes maken, zichzelf, hun innerlijke kracht en daaraan trouw te blijven. Hoe doe ik dat?

Ik heb mijn eigen facebookpagina opgezet Nene’s creative mind. Een onuitputtelijke bron van mijn eigen voordrachten en citaten waaruit je inspiratie en motivatie kunt putten om jezelf te zijn, jezelf te herwinnen en obstakels te overwinnen. Of genieten van mijn dichtkunst.

Klik op de link hieronder. Like, comment and share.
Nene’s Creative Mind

Tay Angisa project

Our History: Charles Drew: Inventor of the Blood Bank

At a time when millions of soldiers were dying on battlefields across Europe, the invention of Dr. Charles R. Drew saved countless lives. Drew realized that separating and freezing the component parts of blood would enable it to be safely reconstituted later. This technique led to the development of the blood bank.

Charles Drew was born on June 3, 1904 in Washington, D.C. Drew excelled in academics and sports during his graduate studies at Amherst College in Massachusetts. He was also an honor student at McGill University Medical School in Montreal, where he specialized in physiological anatomy.​

Charles Drew researched blood plasma and transfusions in New York City where he became a Doctor of Medical Science and the first African-American to do so at Columbia University. There he made his discoveries relating to the preservation of blood. By separating the liquid red blood cells from the near solid plasma and freezing the two separately, he found that blood could be preserved and reconstituted at a later date.

Blood Banks and World War II

Charles Drew’s system for the storing of blood plasma (blood bank) revolutionized the medical profession. Dr. Drew was chosen to set up a system for storing blood and for its transfusion, a project nicknamed “Blood for Britain.” This prototypical blood bank collected blood from 15,000 people for soldiers and civilians in World War II Britain and paved the way for the American Red Cross blood bank, of which he was the first director. In 1941, the American Red Cross decided to set up blood donor stations to collect plasma for the U.S. armed forces.

After the War

In 1941, Drew was named an examiner on the American Board of Surgeons, the first African-American to do so. After the war, Charles Drew took up the Chair of Surgery at Howard University in Washington, D.C. He received the Spingarn Medal in 1944 for his contributions to medical science. In 1950, Charles Drew died from injuries suffered in a car accident in North Carolina—he was only 46 years old. Unfounded rumor had it that Drew was ironically denied a blood transfusion at the North Carolina hospital because of his race, but this wasn’t true. Drew’s injuries were so severe that the life-saving technique he invented could not have saved his own life.